Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis van de kantonrechterkort geding
[eiseres]
de besloten vennootschap Kinderopvang 't Zonnehoekje B.V.
VERLOOP VAN DE PROCEDURE
GRONDEN VAN DE BESLISSING
Uitgangspunten
(…)
Hierbij bevestig ik onze afspraak dat je contract met ingang van 1 juli 2015 wordt omgezet naar een vaste aanstelling voor 28 uur in de week. (…)
Je werkzaamheden zijn verdeeld over maximaal 5 dagen (…).
(…)
(…)
Hierbij delen wij u mede dat uw arbeidsovereenkomst met Kinderopvang ’t Zonnehoekje op 23 april 2016 afloopt.
Per de vervaldatum zal uw contract helaas niet verlengd worden door omstandigheden.
(…)
Vordering
I. te veroordelen tot nakoming van de arbeidsovereenkomst;
II. te veroordelen [eiseres] toe te laten om haar werkzaamheden te hervatten;
III. te veroordelen tot betaling aan [eiseres] van het salaris over de periode vanaf 23 april 2016 en vakantiegeld;
IV. te veroordelen om het loon gedurende de looptijd van de arbeidsovereenkomst aan [eiseres] te voldoen;
V. te veroordelen in de kosten van het geding, te vermeerderen met wettelijke rente.
Verweer
Beoordeling
- dat zij in juni 2015 met [eiseres] heeft gesproken omdat [eiseres] een vast aantal werkuren én een vaste aanstelling wenste;
- dat [eiseres] “dat heeft uit onderhandeld” omdat ’t Zonnehoekje [eiseres] niet graag zag vertrekken;
- dat zij – [naam 2] – ermee heeft ingestemd dat, zoals zij in de brief van 30 juni 2015 aan [eiseres] heeft bevestigd, zowel een vaste aanstelling aan [eiseres] werd gegeven als een vast aantal uren, namelijk 28 uur per week.
Met de woorden “vaste aanstelling” die in de brief van 30 juni 2015 worden gebruikt, is door [naam 2] blijkens haar toelichting op de zitting naar het oordeel van de kantonrechter dan ook niet anders bedoeld dan een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd voor 28 uur per week met [eiseres] aan te gaan. Het verweer van ’t Zonnehoekje wordt verworpen.
.
Omdat de brief van 10 maart 2016 door [eiseres] was op te vatten als opzegging en de facto blijkens de brieven van 28 april 2016 en 13 mei 2016 door haar ook op die manier is opgevat, had zij vervolgens binnen de termijn van artikel 7:686a lid 4 sub a BW de nietigheid daarvan dienen in te roepen. Nu deze (verval)termijn inmiddels is verstreken en dus geen bodemprocedure meer door haar aangevangen kan worden, althans niet met te verwachten succes, is geen plaats voor het treffen van een voorziening in kort geding waarmee op een voor [eiseres] gunstige beslissing in een bodemprocedure vooruit wordt gelopen.