Conclusie
1.De feiten
2.Het procesverloop
grief 3komt Constar tegen dat oordeel van de kantonrechter op. Zij is ervan uitgegaan dat de werknemers bij haar voor bepaalde tijd in dienst waren en heeft, overeenkomstig de per 1 juli 2015 ingevoerde aanzegverplichting van artikel 7:668 lid 1 BW Pro, op 13 augustus 2015 schriftelijk bevestigd dat de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] niet zou worden verlengd, hetgeen zij al eerder mondeling had meegedeeld. Haar wil was niet op opzegging gericht, maar op nakoming van de aanzegverplichting nu zij de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd niet wenste te verlengen.
3.Inleiding
transitievergoeding. Zoals bekend, is de transitievergoeding ingevoerd met de Wet werk en zekerheid (WWZ). Het gaat om een wettelijke ontslagvergoeding waarvan de hoogte afhankelijk is van de lengte van het dienstverband en de hoogte van het loon. Zie art. 7:673 lid 2 BW Pro.
onbepaalde tijdmoet door de werkgever zijn opgezegd of op diens initiatief zijn ontbonden. Een arbeidsovereenkomst voor
bepaalde tijdmoet op initiatief van de werkgever niet zijn voortgezet. Zie art. 7:673 lid 1 BW Pro.
Constar Internationalmoet worden meegerekend. [verzoeker] stelt dat, gelet op de ketenregeling van art. 668a lid 1 en 2 BW, een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is ontstaan. Ten aanzien van het recht op (en de berekening van de hoogte van) de transitievergoeding heeft [verzoeker] gewezen op art. 7:673 lid 4 BW Pro, dat – voor zover relevant – luidt als volgt:
opzeggingen dat hij in het einde van de arbeidsovereenkomst heeft berust.
4.De bespreking van het cassatiemiddel
Onderdelen 1.1-1.3. [5] Het hof had de vraag of sprake was van een opzegging moeten beantwoorden aan de hand van art. 3:33 en Pro 3:35 BW. Door slechts te overwegen dat de brief van 13 augustus 2015 onmiskenbaar was gericht op het verstrekken van informatie aan [verzoeker] over het vervolg van de arbeidsrelatie, heeft het hof die maatstaf miskend, althans zijn oordeel ontoereikend gemotiveerd.
Onderdeel 1.4.Het hof had, nu het kennelijk de lezing van de brief van 13 augustus 2015 door Constar voorshands als juist heeft aanvaard, [verzoeker] in de gelegenheid moeten stellen bewijs van het tegendeel te leveren.
Onderdelen 2.1-2.5.Het oordeel van het hof is onbegrijpelijk, onder meer omdat het hof ten onrechte is voorbijgegaan aan essentiële stellingen van partijen alsmede aan aangevoerde feiten en omstandigheden. Een werkgever kan zich niet beroepen op de regel dat een opzegging duidelijk herkenbaar moet zijn in het geval dat de werkgever zelf een onjuiste mededeling doet die de werknemer mag beschouwen als een opzegging. Het hof is eraan voorbijgegaan dat de wil van Constar was gericht op beëindiging van de arbeidsrelatie en dat [verzoeker] de mededelingen van Constar ook zo heeft opgevat en in de beëindiging heeft berust. Het hof had moeten beoordelen of naar de geest van de wet niet toch recht op een transitievergoeding bestond.
Onderdeel 2.6.Ten onrechte is het hof er (impliciet) vanuit gegaan dat de arbeidsovereenkomst heeft voortgeduurd. Dit oordeel is onverenigbaar met het partijdebat.
Onderdeel 2.7 bevat geen klacht.
Onderdeel 2.8stelt dat, als één van de voorgaande klachten slaagt, ook rov. 5.7 van de beschikking niet in stand kan blijven en grief 3 opnieuw moet worden behandeld door het hof.
5.Ten overvloede: opvolgend werkgeverschap en het overgangsrecht
bestaaten op hetgeen zich
nainwerkingtreding voordoet (Vgl. Parlementaire geschiedenis BW Inv. 3, 5 en 6 Overgangsrecht 1991, p. 36 (nr. 4), M.v.A. II Inv., W.H.M. Reehuis en E.E. Slob, ten aanzien van artikel 68a). Voor de onderhavige situatie betekent het voorgaande dat indien Automatisering ten tijde van de inwerkingtreding van de Wet werk en zekerheid redelijkerwijs geacht moet worden opvolgend werkgever voor de werkneemster te
zijn, de gevolgen die de Wet werk en zekerheid aan dit
zijnvan opvolgend werkgever verbindt, tenzij (bij overgangsrecht) anders is bepaald, wel onmiddellijk van toepassing zijn op Automatisering.
ofAutomatisering op het moment van inwerkingtreding redelijkerwijs geacht moet worden jegens de werkneemster opvolgend werkgever te zijn dient evenwel te worden beantwoord op basis van het recht dat gold vóór de inwerkingtreding van de Wet werk en zekerheid. Aan het huidige criterium (dat wil zeggen het criterium onder de Wet werk en zekerheid) op grond waarvan werkgevers ten aanzien van de verrichte arbeid redelijkerwijze geacht moet worden elkaars opvolger te zijn, zoals bepaald in artikel 7:668a BW lid 2, is immers geen terugwerkende kracht verleend.