Uitspraak
[verzoeker] ,
B E S L I S S I N G :
- stelt vast dat het verzoek tot ontslag van betrokkene uit het psychiatrisch ziekenhuis is vervallen;
- wijst af het meer of anders verzochte.
Rechtbank Amsterdam
Betrokkene heeft op 25 augustus 2016 een verzoek tot ontslag uit het psychiatrisch ziekenhuis ingediend. De geneesheer-directeur van GGZ inGeest heeft dit verzoek op 9 september 2016 afgewezen vanwege een psychiatrische stoornis met actueel gevaar voor derden en het ontbreken van alternatieven voor klinische opname.
De officier van justitie heeft op 30 augustus 2016 een verzoek tot verlening van een machtiging tot voortgezet verblijf ingediend. Vervolgens heeft de officier op 20 september 2016 een verzoek tot rechterlijke beslissing over het afwijzingsbesluit ingediend.
De rechtbank oordeelt dat op grond van artikel 49, achtste lid, Wet Bopz het ontslagverzoek vervalt wanneer een machtigingsverzoek tot voortgezet verblijf is ingediend. De rechtbank wijst het ontslagverzoek daarom af en verklaart het vervallen. Tevens wijst zij het verzoek om schadevergoeding af wegens gebrek aan grond.
Betrokkene voerde aan dat de onafhankelijke psychiater onvoldoende onafhankelijk was en dat hij ten onrechte langer was opgenomen. Deze stellingen worden door de rechtbank niet gevolgd. De rechtbank bevestigt dat de procedures niet gelijktijdig kunnen lopen en dat het verzoek tot ontslag is komen te vervallen.
Uitkomst: Het ontslagverzoek is vervallen wegens samenloop met het machtigingsverzoek tot voortgezet verblijf en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.