Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.Het onderzoek ter terechtzitting
2.Tenlastelegging
3.Voorvragen
4.Waardering van het bewijs
voorafgaand aan5 juli of
na5 juli kon beschikken over wapens. Dit dient tot gevolg te hebben dat de tenlastegelegde periode niet kan worden bewezen. Daarnaast blijkt niet uit het dossier dat er
op5 juli 2015, toen verdachte de kluis verplaatste, wapens in de kluis aanwezig waren. Niet kan worden uitgesloten dat door anderen later nog toegang is verkregen tot de box waarin de wapens zijn aangetroffen. Als de wapens wel op 5 juli in de kluis aanwezig waren, dan moet onderscheid worden gemaakt tussen box 161 en box 40. Uit het dossier blijkt geen enkele betrokkenheid van verdachte bij de laatstgenoemde box, behalve enkele DNA-sporen van verdachte op verplaatsbare goederen. Dit is onvoldoende voor een bewezenverklaring van het voorhanden hebben van de wapens die in box 40 zijn aangetroffen. Ook het voorhanden hebben van de wapens die in box 161 zijn aangetroffen, kan niet worden bewezen nu verdachte stelt dat hij niet op de hoogte was van de inhoud van de kluis. Ook ten aanzien van deze kluis bestaat het bewijs uit aangetroffen DNA-sporen van verdachte op plastic tassen, zijnde verplaatsbare goederen. Dit kan een bewezenverklaring niet dragen, te minder nu het in meerdere gevallen om een mengprofiel gaat met [verdachte 8] die volgens verschillende informatiebronnen tijdelijk in de woning van verdachte aan de [adres 1] heeft verbleven. Daarom dient verdachte ook in dit geval te worden vrijgesproken van de wapens die in box 161 zijn aangetroffen. Mocht verdachte wel wetenschap hebben gehad van de inhoud van de kluis dan is dat niet voldoende voor een bewezenverklaring van het tenlastegelegde bestanddeel voorhanden hebben. Verdachte kon in dat geval immers nog steeds niet beschikken over de wapens, nu hij stelt niet in het bezit te zijn geweest van sleutels van de afgesloten kluiskast. Hij kon dus niet bij de wapens en had ook geen toestemming om daar bij te kunnen.
voorbereidenvan liquidaties komt de rechtbank onlogisch voor. Voorbereiding (artikel 46 Sr Pro) komt na artikel 45 Sr Pro (poging) en is in het leven geroepen om niet gerealiseerde misdrijven, die om andere redenen dan een vrijwillige terugtred, nog niet tot een begin van een uitvoering zijn gekomen toch strafbaar te kunnen stellen. Het is moeilijk voorstelbaar dat het oogmerk van een criminele organisatie is gericht op onvoltooide misdrijven. Waar de officier van justitie de verdachten ziet als de “afdeling werkvoorbereiding” verliest hij uit het oog dat deze afdeling deel uitmaakt van de organisatie die liquidaties zelf op het oog heeft. Daarnaast levert de verweten voorbereiding (opsporen en/of observeren van beoogde slachtoffers, wapens en auto’s met petflessen met benzine leveren) telkens een deelnemingsvorm aan de liquidatie zelf op. Voor het bestaan van een criminele organisatie is ten slotte niet vereist dat de deelnemers aan de organisatie de misdrijven zelf plegen. Bij requisitoir heeft de officier van justitie nog schriftelijk toegelicht [23] dat, indien de rechtbank dit oordeel zou vellen, ook kan worden geconcludeerd dat de organisatie het oogmerk had op de gronddelicten zelf. Op dit (subsidiaire) standpunt is door de verdediging geen verweer gevoerd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat van denaturering van de tenlastelegging geen sprake is indien zij bewezen acht dat de organisatie ook moord en brandstichting tot oogmerk heeft gehad.
5.Bewezenverklaring
6.De strafbaarheid van de feiten
7.De strafbaarheid van verdachte
8.Motivering van de straffen en de maatregel
9.Toepasselijke wettelijke voorschriften
10.Beslissing
[verdachte], daarvoor strafbaar.
gevangenisstrafvan
3 (drie) jaar.
bewaring ten behoeve van de rechthebbendevan de autosleutel (E.01.02.001).
teruggave aan verdachtevan de Blackberry telefoon (E.02.01.002).