ECLI:NL:RBAMS:2016:8652

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
23 december 2016
Publicatiedatum
22 december 2016
Zaaknummer
AWB - 16 _ 4706
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:4 AwbAdvocatenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen onvoldoende beoordeling toets Jaarrekeninglezen Beroepsopleiding Advocaten

Eiseres heeft op 22 januari 2016 de toets Jaarrekeninglezen afgelegd in het kader van de Beroepsopleiding Advocaten en deze beoordeeld gekregen met een onvoldoende (5,4). Zij stelde bezwaar tegen deze beoordeling, dat door verweerder ongegrond werd verklaard. Eiseres stelde vervolgens beroep in bij de rechtbank Amsterdam.

De rechtbank overwoog dat op grond van artikel 8:4 lid 3 Awb Pro geen beroep mogelijk is tegen de inhoudelijke beoordeling van een toets, maar alleen tegen de formele aspecten van het besluit. De rechtbank stelde vast dat verweerder gemotiveerd heeft ingegaan op de bezwaargronden van eiseres, waarbij is toegelicht waarom punten voor bepaalde deelvragen niet zijn toegekend.

De rechtbank concludeerde dat er geen sprake is van een motiveringsgebrek, willekeur of strijdigheid met het zorgvuldigheidsbeginsel. De overige bezwaren van eiseres betroffen de inhoudelijke beoordeling van haar toets, die niet door de bestuursrechter getoetst kan worden. Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en werd het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de onvoldoende beoordeling van de toets Jaarrekeninglezen wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 16/4706

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 december 2016 in de zaak tussen

[de vrouw] , te Amsterdam, eiseres

en

de examencommissie voor de Beroepsopleiding Advocaten, verweerder

(gemachtigden: mr. E.S. Panford en mr. M.W.P. de Boer).

Procesverloop

Bij besluit van 30 maart 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de door eiseres afgelegde toets Jaarrekeninglezen als onvoldoende beoordeeld
Bij besluit verzonden op 8 juni 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 november 2016. Eiseres is ter zitting verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Ook was ter zitting aanwezig [de persoon] , kantoorgenoot van eiseres. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1. Eiseres heeft op 22 januari 2016 de toets Jaarrekeninglezen afgelegd in het kader van de Beroepsopleiding Advocaten. Bij het primaire besluit, gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerder de toets beoordeeld met het cijfer 5,4. Eiseres is het hier niet mee eens.
2. Op grond van artikel 8:4, derde lid, aanhef en onder b van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan geen beroep worden ingesteld tegen een besluit inhoudende een beoordeling van het kennen of kunnen van een kandidaat of leerling die ter zake is geëxamineerd of op enigerlei andere wijze is getoetst, dan wel inhoudende de vaststelling van opgaven, beoordelingsnormen of nadere regels voor die examinering of toetsing.
3. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat dit niet betekent dat tegen het bestreden besluit in het geheel geen beroep mogelijk is. De omvang en aard van de toetsing door de bestuursrechter is echter wel zodanig beperkt dat alleen kan worden beoordeeld of met betrekking tot de besluitvorming aan de formele voorschriften die bij of krachtens de Awb, de Advocatenwet of enig andere wet in formele zin zijn gesteld, is voldaan. De toetsing door de bestuursrechter kan niet rechtstreeks betrekking hebben op de inhoud van de afgelegde proeve van bekwaamheid van betrokkene. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 13 juli 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2675).
4. Eiseres voert – kort samengevat – aan dat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. Eisers stelt hiertoe dat zij in het bezwaarschrift uitgebreid heeft gemotiveerd dat en waarom de beoordeling van de subvragen 1, 4 en 5 van vraag 5 van de toets Jaarrekeninglezen niet klopt. Verweerder doet deze bezwaargronden af zonder deugdelijke motivering. Tevens voert eiseres aan dat verweerder ten onrechte haar zwaarwegend belang dat er grote consequenties kleven aan het niet halen van de toets niet heeft meegewogen, zodat de gevolgen van het bestreden besluit onevenredig zijn.
5. De rechtbank stelt – anders dan eiseres heeft aangevoerd – vast dat verweerder in het bestreden besluit gemotiveerd is ingegaan op de bezwaargronden van eiseres en gemotiveerd heeft weergegeven waarom eiseres geen punten voor (de deelvragen in) vraag 5 heeft gekregen. Verweerder heeft immers – kort samengevat – overwogen dat eiseres geen punten heeft gekregen, omdat de uitkomst van haar berekening fout was en zij de formules enkel heeft opgeschreven (terwijl deze op het formuleblad al gegeven waren) en deze gebrekkig heeft uitgewerkt. Het feit dat eiseres aangeeft dat de fouten zijn ontstaan door tijdsgebrek, kan niet leiden tot het toekennen van punten. Eiseres is zelf verantwoordelijk voor het efficiënt indelen van de te besteden toetstijd, aldus verweerder. Gelet op deze motivering van verweerder is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een motiveringsgebrek, willekeur of strijdigheid met het zorgvuldigheidsbeginsel. Deze beroepsgrond slaagt niet.
6. De overige gronden van eiseres, zoals haar grond dat verweerder ten onrechte haar zwaarwegend belang niet heeft meegewogen, richten zich tegen de inhoud van het besluit, namelijk de wijze waarop verweerder haar toets heeft beoordeeld. Dit kan – gelet op het hierboven weergegeven beoordelingskader dat zich beperkt tot toetsing aan formele voorschriften en beginselen – niet leiden tot gegrondverklaring van het beroep.
7. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van het griffierecht ziet de rechtbank geen aanleiding.
8. Omdat het beroep ongegrond is, wijst de rechtbank het verzoek van eiseres om een schadevergoeding af.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.Z. Achouak el Idrissi, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.R. van Broekhoven.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 december 2016.
De griffier is buiten staat te tekenen
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.