De rechtbank Amsterdam behandelde een zedenzaak waarin verdachte werd beschuldigd van ontuchtige handelingen met een minderjarige. De tenlastelegging betrof onder meer het seksueel binnendringen van het lichaam van het slachtoffer, dat destijds tussen twaalf en zestien jaar oud was. Tijdens de terechtzitting en het dossieronderzoek bleek dat het slachtoffer een traumatische ervaring had, maar de verklaringen waren wisselend en onvoldoende concreet om vast te stellen wat precies was gebeurd.
Er werden diverse getuigen gehoord, waaronder het slachtoffer zelf, een vriend en een getuige, evenals de vader van het slachtoffer. Medisch forensisch onderzoek en DNA-onderzoek leverden geen bewijs op dat verdachte seksuele handelingen had verricht. De verklaringen van het slachtoffer waren inconsistent, mogelijk beïnvloed door zijn jeugdige leeftijd, alcoholgebruik en emoties.
De rechtbank concludeerde dat hoewel vaststond dat er iets naars was gebeurd waarbij verdachte een rol speelde, het bewijs onvoldoende was om verdachte te veroordelen. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van alle ten laste gelegde feiten. Daarnaast werd beslag op goederen opgeheven en de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.