Op 12 juni 2016 werd in een woning te Amsterdam 11,6 kilogram heroïne, versnijdingsmiddelen en een automatisch machinepistool aangetroffen. Verdachte en twee medeverdachten verlieten gezamenlijk de woning, waarbij sporen van heroïne op kleding en in vuilniszakken werden gevonden. Medeverdachte bekende het slaan op heroïnebrokken en verdachte het zeven van de fijngeslagen heroïne.
De verdediging betwistte het bereiden en bewerken van heroïne en het wapenbezit, maar de rechtbank oordeelde dat verdachte actief betrokken was bij het bewerken en aanwezig hebben van heroïne en het wapen in de woning kende en daarvoor aansprakelijk was. Er was sprake van nauwe en bewuste samenwerking (medeplegen) tussen de verdachten.
De rechtbank achtte de bewezenverklaring wettig en overtuigend en veroordeelde verdachte tot een gevangenisstraf van vier jaar en zes maanden, met aftrek van voorarrest. De straf weerspiegelt de ernst van de feiten, de maatschappelijke gevaren van heroïnehandel en het bezit van een vuurwapen ter bescherming van de drugsvoorraad.