Eiser had sinds 2013 een bijstandsuitkering en kreeg deze in 2016 ingetrokken met terugvordering van €20.943,58 omdat hij niet had doorgegeven dat hij zijn hoofdverblijf had verplaatst. Verweerder legde een boete op wegens schending van de inlichtingenplicht volgens de Participatiewet. Na bezwaar en beroep werd de boete gematigd van €830 naar €540.
De rechtbank beoordeelde het bestreden besluit II, omdat het bestreden besluit I niet-ontvankelijk werd verklaard wegens het gunstiger karakter van het tweede besluit. De rechtbank stelde vast dat eiser de inlichtingenplicht had geschonden en dat een boete gerechtvaardigd was. Het boetebedrag van 50% van het benadelingsbedrag werd door verweerder gematigd vanwege de financiële situatie van eiser.
Eiser stelde dat de boete verder gematigd moest worden omdat geen rekening was gehouden met de beslagvrije voet, huur- en zorgkosten. De rechtbank volgde de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep dat het boetebedrag per maand maximaal 10% van de bijstandsuitkering mag zijn. Verweerder had dit uitgangspunt gevolgd en er waren geen andere bijzondere omstandigheden.
De rechtbank oordeelde dat de boete van €540 evenredig was en verklaarde het beroep tegen het bestreden besluit II ongegrond. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten van €990 aan eiser. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep.