ECLI:NL:RBAMS:2017:3404

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
1 juni 2017
Publicatiedatum
18 mei 2017
Zaaknummer
13-520069-08
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 26 WwmArt. 74 Awr
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontneming wederrechtelijk voordeel niet vastgesteld wegens fiscale witwaspraktijken

In deze ontnemingsprocedure heeft de officier van justitie gevorderd om het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel vast te stellen en te ontnemen tot een maximumbedrag van €460.541,27. Veroordeelde werd eerder veroordeeld voor gewoontewitwassen, wapenbezit en afpersing, met een veroordeling tot achttien maanden gevangenisstraf in hoger beroep.

De rechtbank heeft het bewijs beoordeeld aan de hand van het ontnemingsrapport en het arrest van het gerechtshof Amsterdam. Het hof stelde vast dat het witwassen betrekking had op opbrengsten uit belastingfraude, waarbij de inkomsten zich vermengden met legale inkomsten. Het hof concludeerde dat het witwassen diende om opbrengsten uit eigen misdrijf veilig te stellen, maar gaf geen aanwijzingen voor andere misdrijven.

De verdediging betoogde dat het wederrechtelijk verkregen voordeel nihil moest worden gesteld, verwijzend naar jurisprudentie die stelt dat het witwassen zelf niet automatisch leidt tot een voordeel in de zin van vermogensvermeerdering. De rechtbank volgde dit standpunt en oordeelde dat onvoldoende is komen vast te staan dat veroordeelde door het witwassen daadwerkelijk voordeel heeft verkregen. Voordeel uit fiscale misdrijven is uitgesloten van ontneming volgens artikel 74 Awr Pro.

Daarom wees de rechtbank de vordering af en stelde het wederrechtelijk verkregen voordeel op nihil. Dit vonnis werd gewezen door de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam op 1 juni 2017.

Uitkomst: Het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt op nihil gesteld en de ontnemingsvordering wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/520069-08 (ontneming)
Datum uitspraak: 1 juni 2017
Tegenspraak
VONNIS
Vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam, op een vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), in de zaak, behorende bij de strafzaak met parketnummer 13/520069-08, tegen:
[Veroordeelde](hierna: veroordeelde),
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1949,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] .
Veroordeelde is niet ter terechtzitting verschenen. Namens hem is ter terechtzitting verschenen mr. H. Bakker, advocaat te Amsterdam.

1.De vordering

De mondeling gedane vordering van de officier van justitie van 20 april 2017 strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr wordt geschat en het aan veroordeelde opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat geschatte voordeel tot een maximumbedrag van € 460.541,27.

2.Het procesverloop

2.1.
Veroordeling in onderliggende strafzaak
Op 12 maart 2014 is veroordeelde door de rechtbank Amsterdam veroordeeld tot een gevangenisstraf van vierentwintig maanden wegens:
- medeplegen van gewoontewitwassen, gepleegd in de periode van 14 december 2001 tot en met 25 november 2008;
- handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie (hierna: Wwm) en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, Wwm, gepleegd op 25 november 2008;
- afpersing, gepleegd in de periode van eind 2005 tot en met 25 november 2008.
Op 26 februari 2016 is veroordeelde in hoger beroep door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien maanden wegens:
- gewoontewitwassen, gepleegd in de periode van 14 december 2001 tot en met 25 november 2008;
- handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, Wwm en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wwm, gepleegd op 25 november 2008.
Het hof heeft uitdrukkelijk overwogen dat verdachte zich ten minste schuldig heeft gemaakt aan belastingontduiking. Daarnaast heeft het hof vastgesteld dat de inkomsten, waarvan verdachte geen opgave heeft gedaan bij de Belastingdienst, zich hebben vermengd met de legale inkomsten van verdachte en zijn echtgenote. Het hof heeft geconcludeerd dat het witwassen zag op het veiligstellen van opbrengsten afkomstig uit eigen misdrijf, te weten belastingfraude. Het hof heeft in dit verband opgemerkt dat het omvangrijke onderzoek in deze strafzaak geen enkel aanknopingspunt biedt voor betrokkenheid van verdachte bij enig ander misdrijf.
2.2.
Gang van zaken voorafgaand aan de zitting van 20 april 2017
Op 24 mei 2016 heeft ter behandeling van de ontnemingsvordering een eerste zitting plaatsgevonden. Toen is besloten om die behandeling aan te houden om – naar aanleiding van het hoger beroep – een aangepast ontnemingsrapport te doen opmaken in de strafzaak en, vervolgens, een schriftelijke ronde te doen plaatsvinden.
2.3.
Stukken
De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
  • het ontnemingsrapport van 23 maart 2015;
  • het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 26 februari 2016;
  • het e-mailbericht dat dient als conclusie van eis van het Openbaar Ministerie van 13 april 2016;
  • het aanvullend ontnemingsrapport van 7 juli 2016;
  • de conclusie van antwoord van mr. Bakker van 9 december 2015;
  • de conclusie van repliek van het Openbaar Ministerie van 16 januari 2017;
  • de conclusie van dupliek van mr. Bakker 14 februari 2017.

3.Grondslag van de vordering

De ontnemingsvordering berust – blijkens het (aanvullend) ontnemingsrapport – op de methode van de eenvoudige kasopstelling en ziet op de periode van 1 januari 1998 tot en met 25 november 2008. Die periode is langer dan de door het gerechtshof Amsterdam bewezen verklaarde periode in de onderliggende strafzaak. Gelet op die veroordeling voor witwassen, een misdrijf dat met een geldboete van de vijfde categorie wordt bedreigd, en het strafrechtelijk financieel onderzoek waaruit is gebleken dat veroordeelde jarenlang meer uitgaven heeft gedaan dan hij inkomsten heeft genoten, is de grondslag van de ontnemingsvordering artikel 36e lid 3 Sr. De rechtbank dient te beoordelen of aannemelijk is dat genoemd misdrijf of andere strafbare feiten ertoe hebben geleid dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft gehad en, zo ja, hoeveel.
Ter terechtzitting heeft de raadsman, zoals aangekondigd in zijn conclusie van dupliek, betoogd dat het antwoord op die vraag ‘nee’ is. Volgens de verdediging moet het wederrechtelijk verkregen voordeel op nihil worden gesteld, omdat uit de vaststelling van het gerechtshof Amsterdam dat veroordeelde
uit belastingfraude afkomstige opbrengsten heeft witgewassenniet volgt dat veroordeelde
daadwerkelijkvoordeel heeft genoten. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft de raadsman gewezen op recente jurisprudentie: ECLI:NL:HR:2016:2718 en ECLI:NL:RBAMS:2017:1658.
In reactie daarop heeft de officier van justitie aangevoerd dat het bij een eenvoudige kasopstelling niet relevant is welke strafbare feiten ten grondslag liggen aan de vordering. In deze ontnemingsprocedure vormt de veroordeling voor witwassen de grondslag en is vastgesteld dat er vermenging heeft opgetreden. Het is aan de verdediging om duidelijkheid te verschaffen over welk deel niet wederrechtelijk is verkregen. Artikel 74 Algemene Pro wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr) levert in dit verband geen probleem op. Bovendien is veroordeelde ook veroordeeld voor wapenbezit, aldus steeds de officier van justitie.
De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat het wederrechtelijk verkregen voordeel op nihil moet worden gesteld. De Hoge Raad heeft namelijk al enkele keren geoordeeld dat voorwerpen van (bewezen verklaard) witwassen niet reeds daardoor wederrechtelijk verkregen voordeel vormen. [1] Dat veroordeelde goederen en gelden – die volgens het hof uit eigen misdrijf afkomstig waren – heeft witgewassen, wil nog niet zeggen dat hij door dat witwassen voordeel in de zin van vermogensvermeerdering heeft genoten. Het witwassen bestond er blijkens het arrest van het hof in dat veroordeelde voorwerpen voorhanden had en geld uitgaf. In deze ontnemingsprocedure is niet van een andere wijze van witwassen gebleken. Gelet hierop is onvoldoende vast komen te staan dat veroordeelde door het witwassen wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.
Voor zover de ontnemingsvordering zou berusten op andere strafbare feiten, in het bijzonder ten aanzien van de periode van 1 januari 1998 tot 14 december 2001, neemt de rechtbank het oordeel van het hof daarover als uitgangspunt. In het arrest van 26 februari 2016 oordeelt het hof dat veroordeelde zich heeft schuldig gemaakt aan belastingfraude. Dat hij daardoor op geld waardeerbaar voordeel heeft genoten staat vast, maar doet niet ter zake omdat artikel 74 Awr Pro bepaalt dat bij fiscale delicten artikel 36e Sr geen toepassing vindt.
Kortom, niet aannemelijk is geworden dat het witwassen in de periode van 14 december 2001 tot en met 25 november 2008 of andere strafbare feiten ertoe hebben geleid dat veroordeelde daadwerkelijk enig op geld waardeerbaar voordeel heeft verkregen, anders dan een voordeel uit fiscale misdrijven waarop de ontnemingsprocedure niet van toepassing is.
Om die reden komt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4.Beslissing

Stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op
nihil.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M. Vaandrager, voorzitter,
mrs. B. Vogel en M.RJ. van Wel, rechters,
in tegenwoordigheid van mr E.R.E. Evans, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 1 juni 2017.

Voetnoten

1.HR 29 november 2016 ECLI:NL:HR:2016:2718 en HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HRLBY5217.