ECLI:NL:RBAMS:2017:5215

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
27 juni 2017
Publicatiedatum
21 juli 2017
Zaaknummer
13/751330-17
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 Handvest van de grondrechten van de Europese UnieArt. 12 OverleveringswetArt. 22 OverleveringswetArt. 23 OverleveringswetArt. 7 Overleveringswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Uitstel beslissing over overlevering wegens detentieomstandigheden in Roemenië

De rechtbank Amsterdam behandelde op 27 juni 2017 een tussenuitsprak inzake een Europees aanhoudingsbevel voor een Roemeense verdachte die in Nederland gedetineerd is. Het EAB betreft een veroordeling tot twee jaar gevangenisstraf wegens diefstal met braak, met een straf die deels is uitgezonderd.

De verdediging voerde aan dat de overlevering moest worden geweigerd vanwege de slechte detentieomstandigheden in Roemenië, die mogelijk een schending van artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie vormen. De rechtbank constateerde dat de verdachte in het semi-open regime in een meermanscel minder dan 3 m2 persoonlijke ruimte zal hebben, wat een ernstig vermoeden van onmenselijke of vernederende behandeling oplevert.

Gezien het toetsingskader van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en het Hof van Justitie van de EU, stelde de rechtbank de beslissing over de overlevering uit en verzocht de Roemeense autoriteiten binnen drie maanden te rapporteren wanneer zij verwachten dat gedetineerden in het semi-open regime ten minste 3 m2 persoonlijke ruimte zullen hebben. De zaak wordt binnen drie maanden heropend om de reactie te bespreken.

Uitkomst: De beslissing over de overlevering wordt uitgesteld vanwege ernstige vermoedens van onmenselijke detentieomstandigheden in Roemenië.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.751.330-17
RK nummer: 17/2455
Datum uitspraak: 27 juni 2017
TUSSENUITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 van Pro de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 13 april 2017 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 31 januari 2017 door
the Trial Court Piatra Neamţ(Roemenië) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren te [geboorteplaats] (Roemenië) op [geboortedag] 1991,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
thans gedetineerd in het [naam P.I.] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 13 juni 2017. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. J.J.M. Asbroek. De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. P. Scholte, advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Roemeense taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak zou moeten doen met dertig dagen verlengd. De reden hiervan is gelegen in het feit dat zij er
niet in slaagt binnen de in de wet bepaalde termijn uitspraak te doen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Roemeense nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een
final and enforceable criminal sentence no. 827 of the Trial Court Piatra Neamţ of 14th of December [zaaksnummer], final by failure to lodge appeal on 26.01.2017.
Zoals uit de SIS-signalering blijkt, is dit vonnis gewezen op 14 december 2016.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaren, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf moet volgens het EAB de periode van 23 februari 2014 om 03.10 uur tot 23 februari 2014 om 23.20 uur worden afgetrokken. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemd vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro

Onderdeel d) van het EAB houdt onder meer het volgende in:
Specify whether the person in case was present in person at the trial following which the decision was delivered:
(…)
2. [x] No, the person was not present in person at the trial following which the decision was delivered.
3. In case you checked the box on section 2, please confirm the existence of one of the following situations:
(…)
3.2 [
X] Being aware of the set trial,the defendant [opgeëiste persoon] failed to come and appear before the judicial court on any of the hearings; he was summoned, both at his domicile in the municipality [opgeëiste persoon] [provincie], and by displaying at the court door; he was assisted by an elected attorney.
(…)
4. In case you checked the box at section 3.1b, 3.2 or 3.3, please supply information regarding the way in which the relevant condition was fulfilled.
(…) On the hearing when the court postponed the ruling, the defendant [opgeëiste persoon] was assisted by elected defender, who requested that the more favorable criminal law text should be applied, the conviction of the defendant with the conditional suspension of sentence serving or subsidiarily with the suspension of sentence on probation, respectively.
Op de zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat hij zelf een advocaat heeft aangewezen en dat deze advocaat hem bij de behandeling ter terechtzitting heeft vertegenwoordigd.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat de omstandigheid als bedoeld in artikel 12, aanhef en onder b, OLW zich voordoet, zodat de rechtbank de overlevering niet mag weigeren op de grond dat de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot het vonnis van 14 december 2016 heeft geleid.

5.Strafbaarheid

Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a, 2e OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, meermalen gepleegd.
6. Artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie: detentieomstandigheden in Roemenië
6.1
Standpunt van de verdediging
De raadsman van de opgeëiste persoon heeft betoogd dat de overlevering moet worden geweigerd. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd.
De Roemeense autoriteiten zijn op de hoogte van de Nederlandse bezwaren tegen de detentieomstandigheden in Roemenië en hebben desalniettemin ook in deze zaak niet de informatie verschaft die nodig is om die bezwaren weg te nemen. Uitstel van de beslissing over de overlevering is een gepasseerd station. Het ligt op de weg van de Roemeense autoriteiten de Nederlandse autoriteiten ervan te overtuigen dat de detentieomstandigheden zodanig zijn verbeterd, dat wel aan de minimumstandaard wordt voldaan. Daarvoor hebben zij meer dan genoeg tijd gehad.
6.2
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de beslissing over de overlevering moet worden uitgesteld.
6.3
Oordeel van de rechtbank
Gelet op de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mensen (zie bijv. EHRM 24 april 2017, 61467/12, 39516/13, 48231/13 en 68191/13 (Rezmiveş e.a./Roemenië), stelt de rechtbank vast dat vanwege de algemene detentieomstandigheden in Roemenië, met name vanwege overbevolking in de gevangenissen, voor gedetineerden in Roemeense gevangenissen een reëel gevaar bestaat van onmenselijke of vernederende behandeling, zoals bedoeld in artikel 4 Handvest Pro.
Met het oog op de beoordeling of voor de opgeëiste persoon in geval van overlevering een dergelijk gevaar bestaat, heeft het Openbaar Ministerie navraag gedaan bij de uitvaardigende justitiële autoriteit naar de omstandigheden waaronder de opgeëiste persoon naar verwachting in Roemenië zal worden gedetineerd.
De brief van 18 mei 2017 van de
Chief Prison Commissionervan
the National Prison Administrationhoudt onder meer de volgende antwoorden in:
- de opgeëiste persoon zal na zijn overlevering gedurende 21 dagen in quarantaine worden geplaatst in de gevangenis in Boekarest-Rahova. In deze gevangenis zal hij ten minste 3 m2 ‘individual space’ ter beschikking hebben;
- de opgeëiste persoon zal na de quarantaineperiode zijn straf aanvankelijk uitzitten in het semi-open regime. Gelet op de woonplaats van de opgeëiste persoon is het ‘most probable’ dat hij zijn straf aanvankelijk zal uitzitten in de gevangenis in Vaslui (naar de rechtbank begrijpt: in een meermanscel);
- na het ondergaan van een vijfde van de straf wordt opnieuw beoordeeld welk detentieregime van toepassing is;
- gegarandeerd wordt dat de opgeëiste persoon ten minste 2 m2 ‘personal space’ zal hebben in het semi-open regime.
Nu uit de informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit blijkt dat de opgeëiste persoon in de gevangenis in Vaslui in een meermanscel minder dan 3 m2 ‘personal space’ ter beschikking zal staan, bestaat het ernstige vermoeden dat de opgeëiste persoon daar onder onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden zal verblijven (EHRM (Grote Kamer) 20 oktober 2016, 7334/13 (Muršić/Kroatië), § 124).
Een dergelijk vermoeden kan normaal gesproken alleen worden weerlegd als de volgende factoren cumulatief aanwezig zijn (Muršić/Kroatië), § 132). Deze factoren betreffen – kort gezegd – de volgende:
‘short, occasional and minor reductions of personal space’;
‘sufficient freedom of movement outside the cell and adequate out-of-cell activities’;
‘confinement in what is, when viewed generally, an appropriate detention facility’.
Deze toetsing geldt ook voor het semi-open regime (Rb. Amsterdam 18 april 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:2579).
Toetsing aan deze
drie factorenleidt in de onderhavige zaak echter niet tot de conclusie dat het ernstige vermoeden van schending van artikel 4 Handvest Pro is weerlegd.
De
eerstefactor houdt in dat de beperking van het aantal m2 ‘
personal space’ kort van duur, incidenteel en van ondergeschikte betekenis is. Nu de opgeëiste persoon ten minste een vijfde deel van de straf – te weten bijna vijf maanden – in het semi-open regime zal moeten ondergaan, kan in elk geval niet worden geconcludeerd dat de beperking van de ‘
personal space’ kort van duur en incidenteel is.
Omdat de uitkomst van de toetsing aan de eerste cumulatieve factor negatief is, komt de rechtbank tot de conclusie dat alleen al om die reden het ernstige vermoeden van een schending van artikel 4 Handvest Pro niet is weerlegd (vgl. Rb. Amsterdam 16 februari 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:1274). In geval van overlevering aan Roemenië loopt de opgeëiste persoon dus een reëel gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling, zoals bedoeld in artikel 4 Handvest Pro.
Overeenkomstig het besliskader dat het Hof van Justitie van de Europese Unie uiteen heeft gezet (HvJ EU 5 april 2016, C-404/15 en C-659/15 PPU, ECLI:EU:C:2016:198 (Aranyosi en Căldăraru)), moet de rechtbank de beslissing over de overlevering uitstellen. Dat besliskader biedt geen ruimte voor de door de raadsman bepleite weigering van de overlevering (vgl. Rb. Amsterdam 28 april 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:2630).
De beslissing tot uitstel brengt de schorsing van de beslistermijnen mee.
Met het oog op een toekomstige beoordeling van de redelijke termijn ziet de rechtbank nog aanleiding het volgende te overwegen.
Sinds 5 april 2016 heeft de rechtbank in een groot aantal vergelijkbare Roemeense zaken de beslissing over de overlevering uitgesteld vanwege de beperkte ‘personal space’ in het semi-open regime. In al deze zaken, die betrekking hebben op verschillende gevangenissen, hebben de Roemeense autoriteiten ten minste 2 m2 ‘personal space’ in een meermanscel gegarandeerd. In twee van deze zaken heeft de rechtbank inmiddels geoordeeld dat de redelijke termijn was overschreden en heeft zij de overleveringsprocedure beëindigd (Rb. Amsterdam 26 januari 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:414; Rb. Amsterdam 18 april 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:2579). In de overige zaken hebben de Roemeense autoriteiten – tot nu toe – geen aanvullende informatie verschaft op grond waarvan het reële gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling voor de opgeëiste persoon alsnog kan worden uitgesloten.
In het licht van het voorgaande wenst de rechtbank van de Roemeense autoriteiten te vernemen op welke termijn zij verwachten dat zodanige maatregelen zijn getroffen, dat de opgeëiste persoon, indien hij wordt overgeleverd, in Roemeense detentie in een meermanscel ten minste 3 m2 ‘personal space’ ter beschikking zal hebben.
Ten behoeve van de beoordeling van de redelijke termijn in vergelijkbare zaken die eveneens betrekking hebben op het semi-open regime wenst de rechtbank ook in het algemeen van de Roemeense autoriteiten te vernemen binnen welke termijn zij verwachten dat gedetineerden van wie de overlevering wordt gevraagd in het semi-open regime in een meermanscel ten minste 3 m2 ‘personal space’ ter beschikking zullen hebben.
De rechtbank zal bepalen dat de onderhavige zaak binnen drie maanden weer op zitting zal worden gebracht om op die zitting het antwoord van de Roemeense autoriteiten te bespreken.

7.Beslissingen

HEROPENThet onderzoek ter zitting.
STELT UITde beslissing over de overlevering.
SCHORSThet onderzoek voor
onbepaalde tijd, doch voor
ten hoogste drie maanden.
VERZOEKTde officier van justitie de Roemeense autoriteiten de onder 6 bedoelde vragen binnen de termijn van drie maanden te laten beantwoorden.
BEVEELTde oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nog vast te stellen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman.
BEVEELTde oproeping van een tolk voor de Roemeense taal tegen de nog vast te stellen datum en het nog vast te stellen tijdstip.
Aldus gedaan door
mr. A.J. Dondorp, voorzitter,
mrs. J.A.A.G. de Vries en M.J.J.P. Luchtman, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. V.H. Glerum, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 27 juni 2017.
De jongste rechter is buiten staat de uitspraak te ondertekenen.