Uitspraak
de Rechtbank Zărneşti(Roemenië) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
1.Procesgang
2.Identiteit van de opgeëiste persoon
algemenedetentieomstandigheden in Roemenië, met name vanwege overbevolking in de gevangenissen, een reëel risico bestaat op een onmenselijke of vernederende behandeling, zoals bedoeld in artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest).
Muršić v. Croatia,par. 124, een ‘strong presumption’ (sterk vermoeden) bestaat dat de opgeëiste persoon aldaar onder onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden zal verblijven.
Muršić v. Croatiagenoemde eerste factor, gelet op de tussenuitspraak, moet worden bekeken in het licht van de ‘general appropriateness’ als bedoeld in de derde factor. Daarbij wijst de officier van justitie op de omstandigheid dat de opgeëiste persoon in dit concrete geval juist in een regime met meer vrijheid terecht komt, welke standaard onderdeel is van het ‘uitfaseren’ naar resocialisatie.
Muršić v. Croatiagenoemde eerste factor niet afhangt van de beoordeling van de tweede of de derde factor. Immers, in par. 132 van
Muršiç v. Croatiaheeft het EHRM het volgende overwogen:
only where the requirements are cumulatively met, namely where short, occasional and minor reductions of personal space are accompanied by sufficient freedom of movement outside the cell and adequate out-of-cell activities and confinement in what is, when viewed generally, an appropriate detention facility (...).”
afzonderlijkefactoren en dat het sterke vermoeden van onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden normaal gesproken
enkelkan worden weerlegd wanneer deze factoren
cumulatiefaanwezig zijn. Of de periode die de gedetineerde in de cel doorbrengt voldoende beperkt blijft (factor 1) is een andere factor dan - en hangt dus in beginsel niet af van bijvoorbeeld - de mate van vrijheid van beweging buiten de cel (factor 2).
Muršiç v. Croatiahet volgende overwogen:
length of a detention period(...), a relevant factor in assessing the gravity of suffering or humiliation caused to a detainee by the inadequate conditions of his or her detention, the relative brevity of such a period alone will not automatically remove the treatment complained of from the scope of Article 3 if other elements are sufficient to bring it within the scope of that provision.”
cumulatiefaan de
afzonderlijkefactoren moet worden voldaan.
Muršiç v. Croatia, alsook in andere arresten, dus telkens overwogen hoeveel dagen de klager in een cel met beperkte persoonlijke ruimte verbleef. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt daaruit duidelijk dat de beoordeling onder de eerste factor – of de periode die de gedetineerde in de cel doorbrengt voldoende kort, incidenteel en beperkt is – ziet op de gehele duur van de detentieperiode in de desbetreffende cel, in plaats van de duur van het verblijf op cel per etmaal (zie in deze zin reeds Rb. Amsterdam 26 januari 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:414; Rb. Amsterdam 31 januari 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:837).
Aranyosi en Câldâraru, 5 april 2016, C-404/15 en C-659/15 PPU, ECLI:EU:C:2016:198, punt 98). Bovendien volgt uit het arrest dat weigering van de overlevering vanwege een reëel gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling niet is toegestaan, dat het HvJ de omstandigheid dat sprake is van zo een reëel gevaar als een omstandigheid ziet die – in beginsel – van tijdelijke aard is en dat daarom aan de uitvaardigende lidstaat een redelijke termijn moet worden gegund om dat gevaar weg te nemen. De rechtbank is van oordeel dat die aanvullende gegevens tot op heden niet in haar bezit zijn. De in de tussenuitspraak van 10 november 2016 beslissing tot uitstel van beslissing over de overlevering zal dus worden gehandhaafd. Overigens is de rechtbank van oordeel dat de redelijke termijn waarbinnen voornoemde aanvullende gegevens moeten zijn verstrekt nog niet is verstreken.
7.Beslissing
UITSTELvan de beslissing over de overlevering.