De rechtbank Amsterdam behandelde een vordering tot overlevering van een opgeëiste persoon op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen. De procedure omvatte meerdere zittingen, waaronder een tussenuitspraak waarin nader onderzoek naar de detentieomstandigheden in België werd bevolen.
Na ontvangst van aanvullende informatie en jurisprudentie over de detentieomstandigheden in België, concludeerde de rechtbank dat er geen sprake is van een algemeen reëel gevaar op onmenselijke of vernederende behandeling in Belgische gevangenissen. De verdediging voerde verweer tegen de detentieomstandigheden, maar dit werd verworpen op basis van eerdere uitspraken en aanvullende informatie.
De rechtbank stelde vast dat het EAB voldoet aan de wettelijke eisen en dat geen andere weigeringsgronden aanwezig zijn. Daarom werd de overlevering toegestaan. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open, waarmee de beslissing definitief is geworden.