Uitspraak
- conclusie van antwoord met producties van 6 oktober 2017;
- conclusie van repliek met producties van 12 januari 2018;
8.Werknemersbijdrage
In de nieuwe regeling wordt de eigen bijdrage verhoogd naar 6% van de gemaximeerde loonsom gedurende 2016 tot en met 2020.
Vanaf 2021 stapsgewijs (lineair) in 5 jaar naar verhouding 30-70 werknemers-werkgeverspremie van de kostendekkende premie.
9.Indexatie
10.Nabestaandenpensioen
11.Herstelopslag
€ 1000,- voor iedere dag dat AFM in gebreke blijft hieraan te voldoen;
€ 14.568,- op jaarbasis lager uitvalt dan bij voortzetting van de pensioenregeling 2014. Evenmin wordt voldaan aan de in de rechtspraak ontwikkelde vereisten voor eenzijdige wijziging op grond van goed werknemerschap. Er is geen sprake van gewichtige omstandigheden die nopen tot een wijziging van de overeenkomst. Het gedane voorstel is in het licht van alle omstandigheden niet een redelijk voorstel. Aanvaarding van het voorstel kan in redelijkheid van [eiser] niet worden gevergd.
overgangsmaatregelen. Onbestreden staat vast dat deze maatregelen voor [eiser] het volgende inhouden. Omdat [eiser] behoort tot de groep van werknemers die al sinds 31 december 2015 werkzaam is bij AFM, zal hun eigen bijdrage tot tenminste 1 januari 2021 niet hoger zijn dan is afgesproken bij de per 1 januari 2006 ingevoerde wijziging van de AFM pensioenregeling. Om de effecten van de overgang van onvoorwaardelijke naar voorwaardelijke indexatie (per 1 januari 2016) te verzachten is het toeslagenbeleid gecontinueerd voor een periode van 10 jaar (gemaximeerd op 1,5 % collectieve loonstijging en zolang [eiser] in dienst is) waarvoor AFM de extra premiekosten betaalt (bovenop de vaste premie). Anders dan [eiser] stelt houden deze maatregelen een compensatie in van de nadelige gevolgen van de wijziging. Dit geldt ook voor overige getroffen maatregelen, inhoudende de eenmalige afstorting van de reeds opgebouwde voorziening voor de herstelopslag van € 1,7 miljoen en de vergoeding van de uitvoeringskosten voor zover ze meer dan € 700.000,- bedragen, zodat het pensioenresultaat van de deelnemers er niet onder lijdt indien de uitvoeringskosten boven dat bedrag komen. Anders dan [eiser] betoogt, leiden deze maatregelen ertoe dat de risico’s van de gewijzigde pensioenregeling niet volledig worden overgeheveld naar [eiser] .
€14.568,- (15,43%), dan bij voortzetting van de pensioenregeling 2014. De kantonrechter merkt op dat deze verlaging als behoorlijk nadelig kan worden gekwalificeerd. Daar staat tegenover dat de actuaris met betrekking tot de berekeningen heeft opgemerkt dat daaraan geen rechten kunnen worden ontleend, omdat de bedragen afhankelijk zijn van aannames met betrekking tot rendementen, rentevoeten en sterftetabellen, die weer afhankelijk zijn van economische en sociale ontwikkelingen, zoals AFM onbestreden heeft gesteld. Bovendien zijn er in de persoonlijke berekening ook scenario’s geschetst waarbij het verlies op jaarbasis minder is. Ook kan zelfs sprake zijn van een verbetering, zo heeft AFM gemotiveerd aangevoerd. Overigens is geen (cijfermatig) inzicht gegeven in de hoogte van het pensioen op jaarbasis bij voortzetting van de pensioenregeling 2014. In zoverre is onbekend wat na de gestelde verlaging overblijft.