De rechtbank Amsterdam behandelde op 18 december 2018 de vordering tot overlevering van een Poolse opgeëiste persoon op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door het District Court in Katowice. De opgeëiste persoon wordt verdacht van onder meer medeplegen van zware mishandeling en bedreiging, waarvoor hij nog vrijheidsstraffen moet ondergaan.
Tijdens de zitting werd vastgesteld dat de identiteit van de opgeëiste persoon correct was en dat hij de Poolse nationaliteit bezit. De rechtbank onderzocht de strafbaarheid van de feiten volgens Nederlands recht en concludeerde dat dubbele strafbaarheid was gegeven. De raadsman voerde aan dat de opgeëiste persoon gelijkgesteld moet worden met een Nederlander vanwege een ononderbroken verblijf van vijf jaar in Nederland, waardoor overlevering niet mogelijk zou zijn.
De officier van justitie betwistte dit op grond van onvoldoende bewijs van belastingafdracht. De rechtbank oordeelde echter dat de opgeëiste persoon voldoende bewijs had geleverd van rechtmatig verblijf en inkomen in Nederland sinds 2012. Daarom werd het onderzoek heropend en vervolgens voor onbepaalde tijd geschorst in afwachting van de beantwoording van prejudiciële vragen die in andere vergelijkbare zaken aan het Hof van Justitie van de Europese Unie zijn gesteld.
De rechtbank beval de oproeping van de opgeëiste persoon en een Poolse tolk voor een nader te bepalen datum. Tegen deze tussenuitspraak is geen gewoon rechtsmiddel mogelijk.