Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2018:1526

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
16 maart 2018
Publicatiedatum
19 maart 2018
Zaaknummer
13/706616-15 (ontneming)
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel van 22.711 euro wegens witwassen

De rechtbank Amsterdam heeft op 16 maart 2018 uitspraak gedaan in een zaak met betrekking tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De zaak betrof een vordering van de officier van justitie op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, waarbij verdachte werd geconfronteerd met een ontnemingsmaatregel wegens witwassen.

Tijdens de terechtzitting van 2 maart 2017 en het daaropvolgende onderzoek is vastgesteld dat verdachte een bedrag van €22.711 aan wederrechtelijk verkregen voordeel heeft behaald. Dit bedrag is gebaseerd op een rapport van 19 april 2017 waarin is vastgesteld dat in totaal €47.590 was overgemaakt op bankrekeningen van verdachte en medeverdachte, waarbij verdachte's aandeel werd geschat op €22.711.

De officier van justitie stelde dat het wederrechtelijk verkregen voordeel nihil zou zijn indien verdachte de door de benadeelde partij gevorderde schade zou vergoeden. Desondanks heeft de rechtbank het bedrag van €22.711 vastgesteld als het te ontnemen bedrag en heeft zij de verplichting tot betaling aan de Staat opgelegd.

De maatregel is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht en betreft het bedrag dat in het vonnis van 16 maart 2018 is genoemd. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam, met drie rechters en een griffier aanwezig.

Uitkomst: De rechtbank legt een ontnemingsmaatregel op van €22.711 aan verdachte wegens witwassen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/706616-15 (ontneming)
Datum uitspraak: 16 maart 2018
VERKORT VONNIS
Verkort vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam, op vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak, behorende bij de strafzaak met parketnummer 13/706616-15, tegen:
[veroordeelde], hierna te noemen [veroordeelde] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ) op [geboortedag] 1986,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van de vordering van de officier van justitie en het onderzoek op de terechtzitting van 2 maart 2017.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering, van de op de vordering betrekking hebbende stukken en van wat door de officier van justitie, mr. A.K. Kooij, en door de raadsman van verdachte, mr. S.J. Nijhof, naar voren is gebracht.

2.De vordering

Onderzoek van de zaakDe vordering van de officier van justitie van 6 februari 2018 strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan [medeverdachte] opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat geschatte voordeel tot een maximumbedrag van € 47.590.
Gezien de stukken waarop de vordering berust en waarnaar deze vordering verwijst, verstaat de rechtbank de vordering aldus dat deze betreft het feit waarvoor [medeverdachte] in de onderliggende strafzaak is veroordeeld.
Requisitoir van de officier van justitieIn zijn requisitoir op de zitting van 2 maart 2018 heeft de officier van justitie aangevoerd dat verdachte geen wederrechtelijk verkregen voordeel meer heeft als hij de door de benadeelde partij [persoon 1] gevorderde schade heeft vergoed. De officier heeft daarom gevorderd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel op nihil wordt gesteld.

3.Grondslag van de vordering

[veroordeelde] is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 16 maart 2018 veroordeeld ter zake van het witwassen van € 22.711.

4.Het wederrechtelijk verkregen voordeel

Het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeelDe rechtbank baseert zich bij het vaststellen van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel op de feiten en omstandigheden die in het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 19 april 2017 zijn vermeld.
Dit rapport houdt onder meer het volgende in. Uit het onderzoek is gebleken dat er € 22.710 door de Belastingdienst is overgemaakt op de bankrekening van verdachte en € 24.880 op de bankrekening van medeverdachte [medeverdachte] . Dit is in totaal € 47.590. Het gestorte geld werd vrijwel direct weer opgenomen in bedragen van € 1.000. Omdat alle verdachte en de medeverdachten familie zijn, is het aannemelijk dat iedereen voordeel heeft genoten. Hoe een eventuele verdeling heeft plaatsgevonden, is niet uit het onderzoek naar voren gekomen.
Het wederrechtelijk verkregen voordeelNaar het oordeel van de rechtbank heeft [veroordeelde] door middel van voornoemd strafbaar feit voordeel verkregen dat de rechtbank schat op € 22.711, overeenkomstig het in de bewezenverklaring genoemd geldbedrag in het vonnis van 16 maart 2018 ten aanzien van voornoemd strafbaar feit.

5.De verplichting tot betaling

De rechtbank bepaalt het te ontnemen bedrag op
€ 22.711.

6.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

7.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Stelt vast als wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag van
€ 22.711.
Legt op aan
[veroordeelde]de verplichting tot betaling van € 22.711 (tweeëntwintigduizendzevenhonderdelf euro) aan de Staat.
Dit vonnis is gewezen door
mr. W.M.C. van den Berg, voorzitter,
mrs. F.W. Pieters en L. Dolfing, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Spaan, griffier
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 maart 2018.
De oudste rechter is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.