De rechtbank Amsterdam heeft op 16 maart 2018 uitspraak gedaan in een zaak met betrekking tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De zaak betrof een vordering van de officier van justitie op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, waarbij verdachte werd geconfronteerd met een ontnemingsmaatregel wegens witwassen.
Tijdens de terechtzitting van 2 maart 2017 en het daaropvolgende onderzoek is vastgesteld dat verdachte een bedrag van €22.711 aan wederrechtelijk verkregen voordeel heeft behaald. Dit bedrag is gebaseerd op een rapport van 19 april 2017 waarin is vastgesteld dat in totaal €47.590 was overgemaakt op bankrekeningen van verdachte en medeverdachte, waarbij verdachte's aandeel werd geschat op €22.711.
De officier van justitie stelde dat het wederrechtelijk verkregen voordeel nihil zou zijn indien verdachte de door de benadeelde partij gevorderde schade zou vergoeden. Desondanks heeft de rechtbank het bedrag van €22.711 vastgesteld als het te ontnemen bedrag en heeft zij de verplichting tot betaling aan de Staat opgelegd.
De maatregel is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht en betreft het bedrag dat in het vonnis van 16 maart 2018 is genoemd. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam, met drie rechters en een griffier aanwezig.