De rechtbank Amsterdam behandelde op 13 maart 2018 de zaak tegen verdachte die werd verdacht van medeplegen en medeplichtigheid bij diefstallen van statiegeldkratten op 5 en 6 maart 2016. Verdachte zou onder meer een vrachtauto hebben gehuurd die werd gebruikt bij de diefstal.
De officier van justitie stelde dat verdachte medepleger was bij de eerste diefstal en medeplichtig bij de tweede, onderbouwd met camerabeelden, huurovereenkomst en GPS-gegevens. De verdediging voerde aan dat verdachte niet de persoon was die de kratten wegnam en dat er geen sprake was van nauwe en bewuste samenwerking of dubbel opzet.
De rechtbank oordeelde dat verdachte niet zelf de kratten heeft weggenomen en dat onvoldoende bewijs bestaat voor medeplegen vanwege het ontbreken van een nauwe en bewuste samenwerking. Ook voor medeplichtigheid ontbrak het bewijs van dubbel opzet, omdat niet vaststond dat verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat de vrachtauto voor een misdrijf zou worden gebruikt.
Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van alle ten laste gelegde feiten. Daarnaast werd de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding afgewezen wegens de vrijspraak. De rechtbank wees ook een verzoek tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf af, omdat verdachte zich niet aan een strafbaar feit had schuldig gemaakt gedurende de proeftijd.