ECLI:NL:RBAMS:2018:222

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
18 januari 2018
Publicatiedatum
18 januari 2018
Zaaknummer
13.752051-17
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 29 OLWArtikel 47 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering opgeëiste persoon aan Polen ondanks zorgen over rechtsstaat

De rechtbank Amsterdam behandelde op 18 januari 2018 een verzoek tot overlevering van een opgeëiste persoon aan Polen op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de District Court in Krakow. De opgeëiste persoon wordt verdacht van een strafbaar feit dat onder de lijst van bijlage 1 van de Overleveringswet valt, namelijk moord en doodslag of zware mishandeling.

De verdediging voerde aan dat overlevering zou leiden tot een schending van artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, omdat het Poolse rechtssysteem niet meer voldoet aan de eisen van een rechtsstaat. De rechterlijke macht in Polen zou onder politieke controle staan, wat het recht op een eerlijk proces bedreigt. De Europese Commissie is een artikel 7-procedure gestart tegen Polen vanwege deze situatie.

De rechtbank erkent de zorgelijke ontwikkelingen in Polen, maar stelt dat de lopende Europese procedures en aanbevelingen erop gericht zijn om toekomstige schendingen te voorkomen. Op dit moment is er geen reden om te concluderen dat overlevering tot een schending van de grondrechten van de opgeëiste persoon zal leiden. Daarom wordt het verzoek tot overlevering toegestaan en het subsidiaire verzoek tot aanhouding afgewezen.

De rechtbank baseert haar beslissing op de artikelen 2, 5 en 7 van de Overleveringswet en benadrukt dat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel openstaat.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Polen toe ondanks zorgen over de rechtsstaat aldaar.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.752051-17
RK-nummer: 17/7448
Datum uitspraak: 18 januari 2018
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 van Pro de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 20 november 2017 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 26 augustus 2016 door
the District Court in Krakow, Third Criminal Division(Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1991,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [locatie te plaats] ,
hierna te noemen “de opgeëiste persoon”.

1.Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 4 januari 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. J.J.M. Asbroek.
De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsvrouw, mr. M.M.R. Slaghekke, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een
enforceable pre-trial decision, uitgevaardigd op
10 augustus 2012 door
the Regional Court in Krakow, Eleventh Criminal Division, met zaaknummer XI Kp 350/12/P.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar het recht van Polen strafbaar feit.
Dit feit is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4.Strafbaarheid

Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit het strafbare feit heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummer 14, te weten:
moord en doodslag, zware mishandeling
Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op dit feit naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5.Dreigende schending van de fundamentele rechten van de opgeëiste persoon

Door de raadsvrouw is betoogd, zakelijk weergegeven, dat indien de opgeëiste persoon aan Polen wordt overgeleverd, hij het risico loopt om het slachtoffer te worden van een schending van, naar de rechtbank begrijpt, artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (‘Handvest’). De reden hiervoor is dat het rechtssysteem van Polen niet meer voldoet aan de eisen van een rechtsstaat. De hervorming van de rechterlijke macht heeft tot een inbreuk op het beginsel van de scheiding der machten geleid. De rechterlijke macht in Polen is onder de volledige politieke controle van de regering gebracht. Intussen is de Europese Commissie een zogeheten ‘artikel 7-procedure’ gestart, wat niet eerder in de geschiedenis van de Europese Unie (‘EU’) is gebeurd. Dit onderstreept de uitzonderlijkheid en de ernst van de situatie.
De overleveringsprocedure is gebaseerd op vertrouwen tussen de EU-lidstaten in elkaars rechtssysteem. De ‘artikel 7-procedure’ doorkruist dit vertrouwen en leidt ertoe dat geen opgeëiste personen meer aan Polen zouden moeten worden overgeleverd, nu inwilliging tot schending van onder andere het recht op een eerlijk proces zal leiden. Dat geldt zeker als het EAB zoals in dit geval is gericht op een berechting die nog moet plaatvinden.
Subsidiair wordt om aanhouding voor een termijn van tenminste drie maanden verzocht, teneinde te bezien of de Poolse autoriteiten de aanbevelingen van de Europese Commissie zullen naleven.
De officier van justitie heeft tot verwerping van het verweer geconcludeerd.
De rechtbank overweegt als volgt.
Met de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een zorgelijke ontwikkeling in Polen. Op dit moment is binnen EU-verband echter de artikel 7-procedure gestart en is door de Europese Commissie een nieuwe aanbeveling inzake de rechtsstaat tot Polen gericht. Deze inspanningen strekken er toe te voorkomen dat de door de raadsvrouw geschetste situatie in de verdere toekomst zou kunnen ontstaan.
Naar het oordeel van de rechtbank kan bij de huidige stand van zaken niet worden geoordeeld dat overlevering van de opgeëiste persoon aan Polen tot een schending van de grondrechten van de opgeëiste persoon, in het bijzonder artikel 47 Handvest Pro, zal leiden.
In het licht van dit oordeel zal de rechtbank ook het subsidiair gedane aanhoudingsverzoek afwijzen.

6.Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

7.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5 en 7 OLW.

8.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan
the District Court in Krakow, Third Criminal Divisionten behoeve van het in Polen tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar het feit waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.
Aldus gedaan door
mr. A.J. Dondorp, voorzitter,
mrs. J.A.A.G. de Vries en M.J. Alink, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. Y.M.E. Jurgens, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 18 januari 2018.
De jongste rechter is buiten staat deze
uitspraak mede te ondertekenen.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.