Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM,
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
the Circuit Court in Poznań(Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
1.Procesgang
2.Identiteit van de opgeëiste persoon
3.Grondslag en inhoud van het EAB
the District Court in Poznań-Stare Miasto(referentie: III Kp 353/15-/-).
4.Strafbaarheid: feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
5.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a OLW
dat de vervolging van de opgeëiste persoon in Polen is aangevangen;
dat de verdovende middelen in Polen zijn ingevoerd;
dat de rechtsorde in Polen is geschaad;
dat de bewijsmiddelen in Polen zijn.
6.Artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
the High Court) gestelde prejudiciële vragen af te wachten. Die vragen zagen op – kort samengevat – de toetsing van het gevaar dat de opgeëiste persoon na overlevering geen eerlijk proces zou krijgen in Polen. Ze zijn gesteld in het licht van het met redenen omkleed voorstel van de Europese Commissie van 20 december 2017 op grond van artikel 7, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, inzake de rechtsstaat in Polen [COM(2017) 835 final] (hierna: met redenen omkleed voorstel) en de documenten waarnaar in dat voorstel wordt verwezen, op basis waarvan de Ierse rechter tot de conclusie was gekomen dat de rechtsstaat in Polen was geschonden. In het arrest van 25 juli 2018 heeft het Europese Hof van Justitie in de zaak C-216/18 PPU de vragen beantwoord (hierna: het arrest).
- dat zijn zaak in Polen nog niet is aangebracht bij de rechter;
- dat er geen medeverdachten zijn veroordeeld;
- dat er twee personen in de zaak zijn aangehouden, maar dat hij met die personen geen contact heeft;
- dat zijn Poolse advocaat hem heeft verteld dat rechters worden aangewezen door de overheid en niets te vertellen hebben, maar dat hij daarbij geen concrete voorbeelden kan geven;
- dat hij niet bekend is met de rechter van het
- een (nader) onderbouwd standpunt in te nemen ten aanzien van vraag 1 in het hiervoor weergegeven toetsingskader, te weten of er een reëel gevaar dreigt dat het grondrecht op een eerlijk proces in de kern wordt aangetast wegens structurele of fundamentele gebreken wat de rechterlijke macht van Polen betreft, die de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties van Polen in gevaar brengen.
- daarbij achtereenvolgens de hiervoor onder a, b, en c vermelde vragen te beantwoorden en – zo nodig – de maatstaven die zien op de onafhankelijkheid van de rechter, zoals in het arrest weergegeven in de punten 63 tot en met 67, te hanteren.
uiterlijk 23 augustus 2018in te brengen.
7.Beslissing
28 augustus 2018om
11.30 uur, teneinde de raadsman en de officier van justitie in de gelegenheid te stellen