Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
uitspraak van de meervoudige kamer van 12 april 2018 in de zaken tussen
[eiser 2.1] en [eiser 2.2] , te [woonplaats] ,
het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van het stadsdeel
[vergunninghouder] , vergunninghouder,(gemachtigde: mr. A.E.M. van den Berg).
Procesverloop
mr. Van der Berg, [naam 7] (architect) en [naam 8]
(werkzaam bij onderzoeksbureau Mees Ruimte & Milieu (hierna: Mees)).
Overwegingen
nietom mandaatverlening door het college. Dit betekent dat het Bevoegdhedenbesluit in deze zaak niet van toepassing is. De vraag of al dan niet sprake is van een politiek gevoelig onderwerp in de zin van artikel 6 van Pro dit Bevoegdhedenbesluit, kan dus onbeantwoord blijven.
1) de activiteit mag niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening en 2) het moet gaan om een bij algemene maatregel van bestuur (amvb) aangewezen geval. De rechtbank stelt vast dat de activiteit waar het in deze zaak om gaat - het strijdig gebruik - in artikel 4, negende lid, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (een amvb) is aangewezen.
“Juridisch lijkt het niet mogelijk formele medewerking te weigeren op basis van kwalitatieve criteria”.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor het toepassen van een bestuurlijke lus. De reden is dat de bestuurscommissie zich op het standpunt stelt dat terecht niet aan trede 1 van de hotelladder is getoetst. Van een gebrekkige motivering die nog kan worden aangevuld, is daarom geen sprake. Omdat het hier gaat om een besluit waarbij de bestuurscommissie beleidsvrijheid heeft, ziet de rechtbank ook geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. De bestuurscommissie moet daarom een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak.
Beslissing
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt de bestuurscommissie op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de bezwaren van eisers 1 en eisers 2, met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen;
- veroordeelt de bestuurscommissie in de proceskosten van eisers 1 tot een bedrag van € 1002,-;
- veroordeelt de bestuurscommissie in de proceskosten van eisers 2 tot een bedrag van € 1002,-;
- draagt de bestuurscommissie op het betaalde griffierecht van € 168,- aan eisers 1 te vergoeden;
- draagt de bestuurscommissie op het betaalde griffierecht van € 168,- aan eisers 2 te vergoeden.
mr. T.L. Fernig-Rocour, leden,in aanwezigheid van mr. H. van der Schaft, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 april 2018.