ECLI:NL:RBAMS:2018:2988

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
3 mei 2018
Publicatiedatum
3 mei 2018
Zaaknummer
13/751664-17
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 AuteurswetArt. 33 AuteurswetArt. 91 Wetboek van StrafrechtArt. 3 OpiumwetArt. 11 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming tot overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel voor illegaal downloaden software en andere strafbare feiten

De rechtbank Amsterdam behandelde op 3 mei 2018 een verzoek tot overlevering van een Poolse verdachte op grond van een Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd door het District Court of Lublin. De verdachte werd gezocht voor de tenuitvoerlegging van drie vrijheidsstraffen, variërend van acht maanden tot anderhalf jaar, die oorspronkelijk voorwaardelijk waren opgelegd en later werden omgezet in onvoorwaardelijke straffen wegens overtreding van schorsingsvoorwaarden.

Tijdens de procedure heeft de verdachte afstand gedaan van het recht om te worden gehoord, maar werd hij vertegenwoordigd door een advocaat. De rechtbank stelde vast dat de identiteit van de verdachte correct was en dat de strafbare feiten, waaronder illegaal downloaden van computersoftware, ook onder Nederlands recht strafbaar zijn gesteld volgens de Auteurswet en het Wetboek van Strafrecht. Het verweer dat het feit niet strafbaar zou zijn in Nederland werd verworpen.

De rechtbank oordeelde dat aan de voorwaarden van de Overleveringswet was voldaan, waaronder de vereiste van dubbele strafbaarheid en de minimale duur van de vrijheidsstraffen. Een mogelijke weigeringsgrond op basis van het feit dat een deel van het strafbare feit zich op Nederlands grondgebied zou hebben voorgedaan, werd verworpen omdat de officier van justitie aannemelijk maakte dat overlevering aan Polen vanuit het oogpunt van goede rechtsbedeling de voorkeur verdient.

De rechtbank besloot de overlevering toe te staan en wees erop dat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel openstaat. Hiermee wordt de verdachte overgeleverd aan de Poolse autoriteiten voor de uitvoering van de opgelegde vrijheidsstraffen.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de verdachte aan Polen toe voor de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraffen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751664-17
RK nummer: 18/944
Datum uitspraak: 3 mei 2018
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 van Pro de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 6 februari 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 9 mei 2017 door het
District Court of Lublin(Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1992,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
thans gedetineerd in [detentieplaats] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 5 april 2017. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. J.J.M. Asbroek. De opgeëiste persoon heeft afstand gedaan van zijn recht om op de vordering te worden gehoord. De opgeëiste persoon heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigd raadsvrouw, mr. K. Cras, advocaat te Amsterdam.
De rechtbank heeft het onderzoek geschorst tot de zitting van 19 april 2018 om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de antwoorden van de Poolse justitiële autoriteiten op de reeds gestelde vragen af te wachten.
Het onderzoek is voortgezet op de openbare zitting van 19 april 2017. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. J.J.M. Asbroek. De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsvrouw, mr. T. Korff, waarnemende voor mr. K. Cras, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.
Ter zitting heeft de rechtbank het verzoek van de raadsvrouw om aanhouding van het onderzoek afgewezen. De rechtbank acht onvoldoende aannemelijk dat een mogelijke Poolse procedure tot herziening van de omzetting van de voorwaardelijke vrijheidsstraffen, binnen afzienbare termijn voldoende kans van slagen heeft.
De rechtbank heeft het onderzoek gesloten en zij heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, van de OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging vanwege de aanhouding nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van:
Vonnis van het
Provincial Court of Radzyń Podlaskivan 29 juni 2011 met zaaknummer II K 86/11;
Vonnis van het
Provincial Court of Radzyń Podlaskivan 20 januari 2014 met zaaknummer II K 539/13;
Vonnis van het
Provincial Court of Radzyń Podlaskivan 30 januari 2014 met zaaknummer II K 855/13.
De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van:
één jaar;
acht maanden;
één jaar en zes maanden,
door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraffen zijn aan de opgeëiste persoon in eerste instantie voorwaardelijk opgelegd bij voornoemde vonnissen en bij beslissingen van 8 april 2014 (vonnis I) en 7 juni 2016 (vonnissen II en III) is de tenuitvoerlegging daarvan bevolen wegens overtreding van de schorsingsvoorwaarden.
Deze vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.
De rechtbank heeft op grond van de informatie in het EAB en de aanvullende informatie van
de uitvaardigende justitiële autoriteit van 12 april 2018 vastgesteld dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 van Pro de OLW niet aan de orde is.

4.Strafbaarheid, feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de in de wet gestelde voorwaarden.
Onder verwijzing naar haar uitspraak van 30 oktober 2015 (ECLI:NL:RBAMS:2015:7463) waarin de rechtbank artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, 2° juncto artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de OLW kaderbesluitconform heeft uitgelegd, moet in geval van executieoverlevering in de uitvaardigende lidstaat een vrijheidssanctie van ten minste vier maanden zijn opgelegd en het feit moet in Nederland strafbaar zijn.
Aan eerstgenoemde voorwaarde is voldaan. Bij de in het EAB genoemde vonnissen is een vrijheidsstraf van meer dan vier maanden opgelegd.
De raadsvrouw heeft betoogd dat de feiten van vonnis II naar Nederlands recht niet strafbaar zijn. De rechtbank verwerpt dit verweer en is met de officier van justitie van oordeel dat het illegaal downloaden van computersoftware in Nederland als misdrijf strafbaar is gesteld in artikel 31 juncto Pro artikel 33 van Pro de Auteurswet (in samenhang met artikel 91 van Pro het Wetboek van Strafrecht). Hoewel in Nederland de civielrechtelijke aanpak wordt geprefereerd, kan er voor dit feit wel (maximaal 6 maanden) gevangenisstraf worden opgelegd.
De rechtbank stelt vast dat aldus aan beide voorwaarden is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
I
Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven
verbod;
Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder A en onder C van de Opiumwet
gegeven verbod
II
Het opzettelijk inbreuk maken op een anders auteursrecht, meermalen gepleegd
III
Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B van de Opiumwet gegeven
verbod

5.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a, van de OLW

De rechtbank stelt met de raadsvrouw vast dat het EAB - voor zover het ziet op het tweede feit van vonnis I - betrekking heeft op een strafbaar feit dat geacht wordt geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. Artikel 13, eerste lid, onder a, van de OLW verbiedt in een dergelijk geval de overlevering voor dit feit.
De officier van justitie heeft echter op grond van artikel 13, tweede lid, van de OLW gevorderd dat wordt afgezien van de weigeringsgrond en daartoe aangevoerd dat de verdovende middelen op Pools grondgebied zijn ingevoerd, dat de Poolse rechtsorde daardoor is geschokt, de bewijsmiddelen bevinden zich op Pools grondgebied en de Poolse autoriteiten hebben door het uitvaardigen van het EAB aangegeven dat zij willen vervolgen. Dit brengt volgens de officier van justitie mee dat uit het oogpunt van een goede rechtsbedeling overlevering aan de Poolse autoriteiten dient plaats te vinden en overname van de strafzaak door Nederland niet de voorkeur verdient.
De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht de overlevering op grond van dit artikel te weigeren. Niet is gebleken dat de verzochte overlevering aan de Poolse autoriteiten en de verdere vervolging in Nederland de voorkeur verdienen, boven de mogelijke afhandeling van de strafzaak door de Nederlandse autoriteiten.
De rechtbank stelt voorop dat artikel 13, tweede lid, van de OLW haar slechts een marginale toetsing van de vordering van de officier opdraagt en voor een verdergaande beoordeling geen ruimte biedt. Gelet op de door de officier van justitie aangevoerde argumenten heeft de officier van justitie in redelijkheid tot haar vordering kunnen komen. Er dient dan ook te worden afgezien van de in artikel 13, eerste lid, onder a, van de OLW bedoelde weigeringsgrond.

6.Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 van Pro de OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

7.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 31, 33 van de Auteurswet, artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 2, 5, 7 en 13 van de OLW.

8.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan het
District Court of Lublin(Polen) voor de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, voor de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.
Aldus gedaan door
mr. A.J. Dondorp, voorzitter,
mrs. E.M.M. Gabel en C. Klomp, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Smeets, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 3 mei 2018.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.