Een horecamedewerkster van het restaurant heeft op straat voorbijgangers aangesproken en uitgenodigd om in het restaurant te komen eten, wat wordt aangemerkt als proppen en een overtreding van artikel 2.50, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008 (APV).
De gemeente legde het restaurant een last onder dwangsom op, die bij herhaling kon oplopen tot €15.000,-. Het restaurant betwistte de overtreding en haar verantwoordelijkheid, stellende dat de werkneemster zonder opdracht handelde en dat het element 'tegen betaling' niet van toepassing was.
De rechtbank oordeelde dat het proppen wel onder de APV valt omdat het gaat om het werven van klanten voor commerciële horecadiensten waarvoor betaald wordt. Verder is het restaurant als rechtspersoon verantwoordelijk omdat het handelen van de werkneemster binnen haar machtssfeer viel en het restaurant tekort is geschoten in het voorkomen van de overtreding.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde de rechtmatigheid van het opgelegde dwangsombesluit. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.