Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.Het onderzoek ter terechtzitting
2.Tenlastelegging
3.Waardering van het bewijs
16 juni 2015 onderzoek verricht naar verdachte. Uit dit onderzoek is niet gebleken dat hij nog steeds in wapens handelde. Wel is op basis van dit onderzoek de verdenking ontstaan dat verdachte zich samen met zijn medeverdachte (met wie hij samenwoont en vier kinderen heeft) schuldig heeft gemaakt aan witwassen (feit 1). Zij zouden namelijk méér contant geld tot hun beschikking hebben gehad dan de inkomsten uit de winkel van verdachte genaamd [naam winkel] (hierna de [naam winkel] ) zouden kunnen verklaren, terwijl niet is gebleken van andere legale inkomstenbronnen. Ook ná de sluiting van de [naam winkel] zouden zij hebben beschikt over grote contante geldbedragen.
Zij vindt ook dat verdachte zich daar zo’n lange periode aan schuldig heeft gemaakt, dat kan worden geconcludeerd dat hij van het witwassen een gewoonte heeft gemaakt. De officier van justitie heeft een schriftelijk requisitoir aan de rechtbank overgelegd, waarin zij dit standpunt heeft onderbouwd.
Ook weegt de officier van justitie mee dat verdachte in het onderzoek Waigeo heeft verklaard dat er slechts één persoon genaamd [naam ] bij de [naam winkel] werkzaam zou zijn.
Dit blijkt ook uit de gegevens bij de Kamer van Koophandel. De officier van justitie vindt dat op basis daarvan kan worden vastgesteld dat de medeverdachte niet bij de [naam winkel] werkzaam was en dat de loonstroken en de arbeidsovereenkomst dus vals zijn opgemaakt.
Clientswerden verkocht. Hiervoor hield verdachte geen administratie bij, omdat over deze verkopen geen omzetbelasting hoeft te worden betaald. Ook wordt een deel van het verschil verklaard doordat de [naam winkel] langer open is geweest dan de periode waarop het kasboek ziet. Daarnaast erkent verdachte dat het ook wel eens voorkwam dat hij (dure) goederen contant verkocht en van de verkoopopbrengst slechts een deel in de administratie verwerkte en het andere deel in zijn zak stopte. Tot slot had hij veel contant geld doordat hij geld uit eerdere ondernemingen en uit de [naam winkel] had gespaard en doordat hij bitcoins, sieraden, horloges en de inventaris van de [naam winkel] contant heeft verkocht.
Clientverkocht. De verkopen van deze online belkaarten registreerde hij niet in het kasboek. Hij hield deze geldstroom apart van de rest van de geldstromen, omdat over de in- en verkoop van telefoonkaarten geen omzetbelasting hoeft te worden betaald. Verdachte heeft dit onderbouwd met bankafschriften van zijn zakelijke- en privérekening uit 2013, waaruit blijkt dat er in 2013 in totaal voor € 39.185,39 aan belkaarten is opgewaardeerd bij [naam B.V.] en [naam bedrijf] . Verdachte heeft dit ook voor een deel onderbouwd met een aantal facturen van [naam B.V.] Voor het jaar 2012 blijkt uit facturen van [naam B.V.] dat verdachte voor een bedrag van € 22.269,99 aan beltegoed heeft ingekocht.
Clientsaangeschafte belkaarten tegen contant geld heeft verkocht en dat ook dit voor een deel heeft gezorgd voor het verschil tussen de omzet die uit het kasboek blijkt en de grote contante geldbedragen die zijn gestort.
Clientsen welk deel afkomstig is uit de omzet van andere producten uit de [naam winkel] .
Daardoor is ook niet duidelijk geworden of en zo ja, welk geldbedrag er overblijft waar geen aannemelijke verklaring voor is gegeven.
Clientsniet heeft opgegeven bij zijn aangifte inkomstenbelasting - vermoedelijk onjuiste aangiftes inkomstenbelasting heeft gedaan, maar nu het strafrechtelijk onderzoek daar in het geheel niet op gericht is, kan op geen enkele wijze worden vastgesteld om welk bedrag aan te weinig betaalde inkomstenbelasting het zou gaan en al helemaal niet dat juist dat bedrag bij die niet in de boekhouding verantwoorde contante stortingen zou zitten.
€ 500,00 en pakken met biljetten van € 50,00) moet verdachte redelijkerwijs hebben vermoed dat het geld van misdrijf afkomstig was. In het normale betalingsverkeer wordt immers zelden gebruik gemaakt van biljetten van € 500,00. Door het contante geldbedrag desondanks voorhanden te hebben gehad, heeft [verdachte] zich schuldig gemaakt aan schuldwitwassen.
13 maart 2014 tot en met 19 juni 2015 geen legale inkomstenbronnen heeft gehad. Uit de privérekeningen van verdachte en de medeverdachte is echter het volgende gebleken:
€ 49.040,00.
€ 7.700,00. Drie stortingen hebben plaatsgevonden op 23 april 2014, 15 mei 2014 en 16 mei 2014. [5] Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat de medeverdachte met dit geldbedrag rekeningen heeft betaald toen hij in het onderzoek Waigeo in voorarrest zat. Verdachte zat in het onderzoek Waigeo in voorarrest van
18 februari 2014 tot en met 28 mei 2014. [6]
€ 19.565,00 zijn. [7] Verdachte heeft ter zitting erkend dat hij geld heeft geïnvesteerd in [naam startend bedrijf] , volgens hem ging het om een bedrag van € 17.000,00. [8]
Suri-Change betalingen verricht ten behoeve van de vaste lasten van verdachte en de medeverdachte. Suri-Change is een bedrijf dat is gespecialiseerd in money transfers. Het gaat om een totaal bedrag van
€ 7.306,28. [9] Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat de medeverdachte met dit geldbedrag rekeningen heeft betaald toen hij in het onderzoek Waigeo in voorarrest zat. [10]
€ 2.799,92 spullen bij de Ikea gekocht (op 14 april 2015). [11]
4.Bewezenverklaring
5.De strafbaarheid van het feit
6.De strafbaarheid van verdachte
7.Motivering van de straf
8.Beslag
9.Toepasselijke wettelijke voorschriften
10.Beslissing
[verdachte], daarvoor strafbaar.
9 (negen) maanden.
3 (drie) maanden, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.
proeftijd van 2 (twee) jarenvast.
teruggaveaan [verdachte] van de voorwerpen waarop strafvorderlijk beslag rust, met inachtneming van hetgeen onder punt 8 ten aanzien van het beslag is opgemerkt.