ECLI:NL:RBAMS:2018:5113

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
12 juni 2018
Publicatiedatum
18 juli 2018
Zaaknummer
13/751294-18
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 45 SrArt. 311 SrArt. 312 SrArt. 2 OLWArt. 5 OLW
Verwijzingen
11 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Overlevering deels geweigerd op grond van artikel 12 Overleveringswet

De rechtbank Amsterdam behandelde op 29 mei 2018 de vordering tot overlevering van een opgeëiste persoon op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door Poolse autoriteiten. De opgeëiste persoon werd verdacht van meerdere strafbare feiten waarvoor gevangenisstraffen waren opgelegd door verschillende rechtbanken in Polen.

De rechtbank stelde vast dat ten aanzien van één vonnis (van 2 april 2015) een hoger beroep was ingesteld en dat de vereiste informatie hierover nog niet was verstrekt. Op grond van artikel 12 van Pro de Overleveringswet werd de overlevering voor dit vonnis geweigerd. Voor de andere twee vonnissen, waarbij gevangenisstraffen van respectievelijk 8 maanden en 6 maanden waren opgelegd, voldeed het EAB aan de wettelijke eisen, waaronder de dubbele strafbaarheid.

De rechtbank besloot daarom de overlevering van de opgeëiste persoon toe te staan voor de vonnissen van 18 juni 2015 en 22 oktober 2015, maar te weigeren voor het vonnis van 2 april 2015. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De overlevering wordt geweigerd voor het vonnis met lopend hoger beroep en toegestaan voor de andere twee vonnissen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751294-18
RK nummer: 18/2381
Datum uitspraak: 12 juni 2018
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 van Pro de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 3 april 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 25 november 2016 door
the District Court in Zamość(Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1997,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
thans gedetineerd in [detentie adres] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 29 mei 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. K. van der Schaft.
De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. T. Deckwitz, advocaat te Den Bosch en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een 3 vonnissen:
vonnis van 18 juni 2015 van
the Regional Court in Zamość,met kenmerk: VII K 643/14, waarbij een gevangenisstraf is opgelegd van 8 maanden.
vonnis van 22 oktober 2015 van
the Regional Court in Zamość,met kenmerk: II K 492/15; waarbij een gevangenisstraf is opgelegd van 6 maanden en waarvan volgens het EAB nog 1 maand en 22 dagen resteren.
vonnis van 2 april 2015 van
the Regional Court in Lublin-Zachód,met kenmerk: IV K 1121/14; waarbij een gevangenisstraf is opgelegd van 2 jaar.
Deze vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro – vonnis III

Met de officier van justitie heeft de rechtbank geconstateerd dat ten aanzien van de procedure met betrekking tot vonnis III (van 2 april 2015, kenmerk: IV K 1121/14) op pagina 9 van het EAB is vermeld dat hoger beroep is ingesteld en dat
the judgement was upheld by the court of appeals.
De officier van justitie heeft ter zitting van 29 mei 2018 meegedeeld dat het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft gesteld over dit hoger beroep, maar dat hierop nog niet inhoudelijk is gereageerd. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat thans niet kan worden getoetst of ten aanzien van deze procedure (IV K 1121/14) is voldaan aan de vereisten van artikel 12 OLW Pro, zodat de overlevering voor vonnis III, van 2 april 2015 van
the Regional Court in Lublin-Zachód,moet worden geweigerd op grond van dit artikel.

5.Strafbaarheid – vonnis I en II

Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a, 2e OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten van de vonnissen I en II leveren naar Nederlands recht op:
poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen
diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

6.Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB ten aanzien van vonnis III niet voldoet aan de eisen van artikel 12 OLW Pro, dient de overlevering voor dat vonnis te worden geweigerd.
Ten aanzien van de vonnissen I en II is vastgesteld dat aan de vereisten van de OLW is voldaan, zodat de overlevering voor die vonnissen dient te worden toegestaan.

7.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 45, 311 en 312 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 7 en 12 OLW.

8.Beslissing

WEIGERTde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan
the District Court in Zamośćten behoeve van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf, opgelegd bij vonnis III, van 2 april 2015 van
the Regional Court in Lublin-Zachód,met kenmerk: IV K 1121/14.
STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan
the District Court in Zamośćten behoeve van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraffen, opgelegd bij de vonnissen:
van 18 juni 2015 van
the Regional Court in Zamość,met kenmerk: VII K 643/14;
van 22 oktober 2015 van
the Regional Court in Zamość,met kenmerk: II K 492/15.
Aldus gedaan door
mr. M. van Mourik, voorzitter,
mrs. M.T.C. de Vries en H.G. van der Wilt, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.T.P. van Munster, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 12 juni 2018.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.