De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de rechtbank om het ouderlijk gezag van de moeder over haar tweeling te beëindigen en de kinderen onder toezicht te stellen met een machtiging tot uithuisplaatsing. Dit verzoek was gebaseerd op eerdere uithuisplaatsingen van haar negen andere kinderen en zorgen over haar beperkte leerbaarheid en opvoedvaardigheden.
De moeder en vader zijn betrokken bij de zaak, waarbij de vader kort in beeld is bij de jeugdzorg en er nog onvoldoende zicht is op zijn rol en netwerk. De moeder kampt met een licht verstandelijke beperking en heeft in het verleden onvoldoende inzicht getoond in haar opvoedproblemen. De Raad achtte het risico groot dat ook de tweeling op termijn in hun ontwikkeling bedreigd zouden worden.
De rechtbank oordeelt dat het verzoek tot beëindiging van het gezag en uithuisplaatsing prematuur is, omdat er nog geen zorgsignalen zijn bij de tweeling en de moeder momenteel goed voor hen zorgt. Wel acht de rechtbank het noodzakelijk dat de kinderen onder toezicht worden gesteld vanwege de ervaringen met de oudere kinderen en de beperkte opvoedvaardigheden van de moeder.
De rechtbank wijst de verzoeken tot gezagsbeëindiging en uithuisplaatsing af, maar stelt de tweeling voor de duur van een jaar onder toezicht van de William Schrikker Stichting. Er wordt een onderzoek aanbevolen naar de opvoedingsmogelijkheden van beide ouders en het netwerk. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden.