AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Weigering overlevering wegens ontbreken onvoorwaardelijke verzetgarantie bij Europees aanhoudingsbevel
De rechtbank Amsterdam behandelde op 25 januari 2018 de vordering tot overlevering van een opgeëiste persoon op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de District Court of Legnica in Polen. Het EAB betrof de uitvoering van een vrijheidsstraf van één jaar en zes maanden, waarvan nog ruim één jaar resteert. De opgeëiste persoon was niet in persoon verschenen bij de oorspronkelijke strafzaak in Polen.
Tijdens de procedure werd de zaak geschorst vanwege prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaak Ardic, waarvan het arrest op 22 december 2017 werd gewezen. Na hervatting van de behandeling werd vastgesteld dat de verzetgarantie zoals vereist in artikel 12 sub d OLWPro niet onvoorwaardelijk was toegezegd door de uitvaardigende autoriteit. De opgeëiste persoon zou niet het recht hebben op een herzieningsprocedure met aanwezigheid en nieuw bewijs, tenzij onder specifieke voorwaarden die niet waren vervuld.
De rechtbank concludeerde dat de overlevering geweigerd moest worden omdat de verzetgarantie niet voldeed aan de wettelijke eisen. Tevens werd de overleveringsdetentie opgeheven. Tegen deze uitspraak is geen gewoon rechtsmiddel mogelijk. De beslissing is genomen door de rechtbank onder voorzitterschap van A.J. Dondorp en de rechters M.T.C. de Vries en M.J. Alink.
Uitkomst: De rechtbank weigert de overlevering wegens het ontbreken van een onvoorwaardelijke verzetgarantie.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/751837-17 (EAB I)
RK nummer: 17/6039
Datum uitspraak: 25 januari 2018
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 vanPro de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 15 september 2017 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 1 maart 2017 door het District Court of Legnica – III Criminal Department(Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1990,
niet ingeschreven in de Basisregistratie Persoonsgegevens maar wonende op het adres [adres] ,
thans gedetineerd in het [detentieadres] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.
1.Procesgang
1.1.
De vordering is behandeld op de openbare zitting van 2 november 2017. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. J.J.M. Asbroek.
De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. R.P.A. Kint, advocaat te Zoetermeer en door een tolk in de Poolse taal.
1.2.
De rechtbank heeft op voormelde datum het onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd geschorst omdat de rechtbank op 28 september 2017 bij tussenuitspraak in de zaak Ardic prejudiciële vragen heeft voorgelegd aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie) (ECLI:NL:RBAMS:2017:7037), die (mede) relevant zijn voor de beoordeling van onderhavige zaak. De beslistermijn is daarbij opgeschort.
1.3.
Op 22 december 2017 heeft het Hof van Justitie arrest gewezen in de zaak Ardic (C-571-17 PPU, ECLI:EU:C:2017:1026).
1.4.
De behandeling van de vordering is voortgezet op de openbare zitting van 25 januari 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. J.J.M. Asbroek. De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. R.P.A. Kint, advocaat te ’s Gravehage en door een tolk in de Poolse taal.
1.5.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.
2.Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3.Grondslag en inhoud van het EAB
In het EAB wordt melding gemaakt van een judgment of the Regional Court of Głogówvan 23 oktober 2012 (onherroepelijk op 31 oktober 2012) met zaaknummer II K 1015/12.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en zes maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteert één jaar, vijf maanden en 29 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemd vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.
4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLWPro
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot het vonnis heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12 sub a totPro en met c OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.
Op grond van artikel 12 sub d OLWPro mag de rechtbank in dit geval de overlevering alleen toestaan indien de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft vermeld (i) dat het betreffende vonnis na overlevering onverwijld aan de opgeëiste persoon zal worden betekend en hij uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, die kan leiden tot herziening van het oorspronkelijke vonnis en (ii) hij wordt geïnformeerd over de termijn waarbinnen hij verzet of hoger beroep dient aan te tekenen, als vermeld in het desbetreffende Europees aanhoudingsbevel.
In het EAB staat vermeld dat de situatie van artikel 12 sub d zichPro voordoet.
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft naar aanleiding van een door het IRC gestelde vraag bij brief van 19 januari 2018 echter het volgende verklaard:
As a rule the sentenced [opgeëiste persoon] , is not entitled to have a right to a retrial in respect
of the case that was completed with a final and valid judgement delivered on 23 October 2012. Unless grounds occur for commencement of proceedings as specified in the penal procedure code. i.e. article 540. (…)
As of now, no conditions as mentioned above have been found.
On the other hand. a decision of 3rd November 2015 ordering the execution of the imprisonment may be reversed under article 24 §1 of the executive penal code which sounds: (…) As of now, no conditions have been found to reverse the decision on ordering the execution of the imprisonment. The sentenced person did not give a mandate to a legal counsellor to participate in the trial and he did not file a motion to have a court-appointed legal counsellor.
De rechtbank is met de raadsman en de officier van Justitie van oordeel dat de overlevering niet toegestaan mag worden omdat de verzetgarantie niet onvoorwaardelijk is. De overlevering zal om die reden worden geweigerd.
5.Slotsom
Nu aldus is vastgesteld dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLWPro van toepassing is, dient de overlevering te worden geweigerd.
6.Beslissing
WEIGERTde overlevering van [opgeëiste persoon]aan District Court of Legnica – III Criminal Departmentvoor de tenuitvoerlegging van het judgmentin de zaak IIK 1015/12 .
HEFT OPde overleveringsdetentie op grond van dit EAB.
Aldus gedaan door
mr. A.J. Dondorp, voorzitter,
mrs. M.T.C. de Vries en M.J. Alink, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Smeets, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 25 januari 2018.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.