ECLI:NL:RBAMS:2018:7670

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
17 oktober 2018
Publicatiedatum
29 oktober 2018
Zaaknummer
C/13/652170/HA ZA 18-790
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 147 lid 3 RvArt. 147 lid 2 RvArt. 127a RvArt. 3 lid 1 Wet griffierechten burgerlijke zaken
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging verstekvonnis wegens niet tijdige betaling griffierecht in verzetprocedure

In deze civiele zaak tussen Redlum Finance Group B.V. en anderen tegen Castor International B.V. is een verzetprocedure aan de orde. Redlum c.s. heeft het griffierecht niet binnen de wettelijke termijn betaald, wat leidt tot de vraag of het verstekvonnis bekrachtigd moet worden.

Redlum c.s. beroept zich op de hardheidsclausule van artikel 127a Rv en wijst erop dat de procedure feitelijk pas in het eerste kwartaal van 2019 zou aanvangen, waardoor volgens hen de betalingstermijn niet strikt toegepast zou moeten worden. De rechtbank oordeelt echter dat het op de weg van de advocaat ligt om tijdige betaling te waarborgen en dat de wettelijke regeling duidelijk is.

De rechtbank stelt vast dat geen concrete omstandigheden zijn gesteld die het toepassen van artikel 147 lid 3 jo Pro lid 2 Rv onbillijk maken. Daarom wordt het verstekvonnis van 7 februari 2018 bekrachtigd. Dit vonnis is gewezen door rechter M.E.M. James-Pater en op 17 oktober 2018 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Het verstekvonnis wordt bekrachtigd wegens niet tijdige betaling van het griffierecht zonder onbillijkheid van overwegende aard.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht
zaaknummer / rolnummer: C/13/652170 / HA ZA 18-790
Vonnis van 17 oktober 2018
in de zaak van
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
REDLUM FINANCE GROUP B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
REDLUM BUSINESS SERVICES B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
3.
[opposant sub 3],
wonende te [woonplaats] ,
opposanten,
advocaat mr. B.J. Lokollo te Utrecht,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
CASTOR INTERNATIONAL B.V.,
gevestigd te Deurne,
geopposeerde,
advocaat mr. K.A.M.J. Horsch te Valkenburg Lb.
Partijen zullen hierna Redlum c.s. en Castor worden genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de verzetdagvaarding van 29 juni 2018, met een productie,
  • de uitlatingen artikel 127a Rv van partijen.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De beoordeling

2.1.
Redlum c.s. is griffierecht verschuldigd vanaf de eerste roldatum in de verzetprocedure en dient te zorgen dat het griffierecht binnen vier weken nadien is bijgeschreven op de rekening van het gerecht waar de zaak dient dan wel daar ter griffie is gestort.
2.2.
De griffier heeft geconstateerd dat Redlum c.s. het griffierecht niet tijdig heeft voldaan.
2.3.
Redlum c.s. is gevraagd hierop te reageren bij brief van 6 september 2018. Redlum c.s. heeft bij akte op de rol van 19 september 2018 gereageerd.
Vervolgens is gevraagd of beide partijen willen reageren op het bepaalde in artikel 147 lid 3 Rv Pro bij brief 19 september 2018. Partijen hebben hierop bij akte op de rol van 26 september 2018 gereageerd.
2.4.
Redlum c.s. doet een beroep op de hardheidsclausule ex artikel 127a Rv en stelt daartoe het volgende. Volgens Redlum c.s. heeft de rechtbank met de brief van 15 augustus 2018 (waarin partijen zijn geïnformeerd dat de zitting waarschijnlijk in het eerste kwartaal van 2019 zal worden gehouden) de verwachting gewekt dat het begin van de feitelijke procedure pas later zou aanvangen. Met andere woorden, weliswaar is het griffierecht te laat betaald echter de procedure vangt pas in het eerste kwartaal van 2019 aan. Aan de gedachte van de wetgever, namelijk dat een procespartij vooraf betaalt, is daarom voldaan. Redlum c.s. is van mening dat artikel 147 lid 3 Rv Pro buiten toepassing kan blijven omdat toepassing hiervan een dusdanige hardheid oplevert die onbillijk is.
2.5.
Castor verzoekt – kort gezegd – het verstekvonnis te bekrachtigen nu het griffierecht te laat betaald is en van een situatie als bedoeld in artikel 127a lid 3 Rv geen sprake is.
2.6.
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het op de weg van de advocaat van Redlum c.s. ligt om voor tijdige betaling van het griffierecht zorg te dragen. Op grond van artikel 3 lid 1 Wet Pro griffierechten burgerlijke zaken (Wgbz) is iedere verschenen partij in een civiele procedure een griffierecht verschuldigd. Op grond van het derde lid van die bepaling dient de eiser ervoor te zorgen dat het verschuldigde griffierecht binnen vier weken na de eerst dienende dag op de rekening van de rechtbank is bijgeschreven. Voor de gedaagde geldt een termijn van vier weken na zijn verschijning. Een advocaat wordt op grond van zijn deskundigheid en kennis geacht op de hoogte te zijn van de betalingstermijn en de verstrekkende gevolgen die de wet verbindt aan de overschrijding daarvan.
2.7.
In dit geval is sprake van een verzetprocedure, zodat artikel 147 Rv Pro van toepassing is. De rechtbank heeft geconstateerd dat tegen Redlum c.s. in de oorspronkelijke procedure verstek was verleend omdat zij niet in het geding was verschenen. Op grond van het bepaalde in artikel 147 lid 3 Rv Pro diende zij er dus voor te zorgen dat het verschuldigde griffierecht binnen vier weken na de eerste roldatum in de verzetprocedure op de rekening van de rechtbank was bijgeschreven.
2.8.
Uit het door Redlum c.s. in haar akte gestelde kan naar het oordeel van de rechtbank niet volgen dat de voorgenomen beslissing om het verstekvonnis te bekrachtigen in dit geval zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard, zodat geen aanleiding bestaat daarvan terug te komen. Op grond van artikel 147 lid 3 jo Pro lid 2 Rv zal de rechtbank het verstekvonnis van 7 februari 2018 in de zaak C/13/639221 / HA ZA 17-1220 bekrachtigen.

3.De beslissing

De rechtbank
3.1.
bekrachtigt het verstekvonnis van 7 februari 2018 in de zaak C/13/639221 /
HA ZA 17-1220.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.M. James-Pater en in het openbaar uitgesproken op 17 oktober 2018. [1]

Voetnoten

1.type: AAK