De rechtbank Amsterdam behandelde de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van medeplegen van het aanwezig hebben van 1089 hennepplanten in een pand te Amsterdam in de periode van december 2012 tot april 2013. De zaak werd gelijktijdig maar niet gevoegd behandeld met meerdere medeverdachten.
De officier van justitie erkende dat het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend kon worden bewezen en vond een aanhouding van de zaak niet opportuun vanwege de overschrijding van de redelijke termijn, de geringe rol van verdachte en zijn eerlijkheid over zijn rol. De rechtbank volgde dit standpunt en oordeelde dat het bewijs onvoldoende was om tot een veroordeling te komen.
Op grond hiervan sprak de rechtbank verdachte vrij van de tenlastelegging. Het vonnis werd gewezen door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Amsterdam op 29 oktober 2018.