Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.De procedure
2.De beoordeling
- dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning;
- dat de man met ingang van 1 september 2017 € 380,25 per kind per maand zal betalen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen;
- dat de man met ingang van 1 september 2017 € 8.200,- per maand zal betalen aan de vrouw als uitkering tot haar levensonderhoud.
- premie ziektekostenverzekering van € 140,- per maand;
- niet vergoede ziektekosten van € 30,- per maand;
- tandartskosten van € 10,- per maand;
- bijzondere medische kosten van € 10,- per maand.
- opstalverzekering van € 20,- per maand;
- inboedelverzekering van € 15,- per maand;
- onderhoud huis van € 150,- per maand;
- hulp in de huishouding van € 115,- per maand.
- onderhoud en reparaties auto van € 75,- per maand;
- afschrijving van € 200,- per maand.
- de man te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 2.000.000,- ter zake van het verrekenbeding aan de vrouw te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 september 2017 dan wel met ingang van 31 augustus 2018;
- de garage aan de [adres] te [plaats] alsmede de daarin staande aanhanger en opgeslagen kampeeruitrusting toe te delen aan de man voor een waarde van € 60.000,- onder de verplichting van de man uit hoofde van zijn overbedeling een bedrag van € 30.000,- te voldoen aan de vrouw.
“De kosten van de gemeenschappelijke huishouding, (..) komen ten laste van de echtgenoten naar rato van ieders inkomen, met uitzondering van de inkomsten uit vermogen.”
- de echtelijke woning aan de [adres] te [plaats] ;
- een garage aan de [adres] te [plaats] met daarin een volledige kampeeruitrusting alsmede een aanhanger.
3.De beslissing
pro formawordt voortgezet op
21 januari 2019. De man dient binnen een maand na datum beschikking nadere stukken met betrekking tot zijn inkomen uit vermogen over te leggen en de vrouw krijgt daarna nog vier weken de tijd om hierop te reageren. Partijen worden vervolgens in de mogelijkheid gesteld in nader overleg met elkaar te treden en zij dienen de rechtbank
uiterlijk tien dagen vóór de nog te plannen zittingschriftelijk in te lichten over de gang van zaken, of zij een nadere zitting nog nodig achten gelet op eventuele (deel)overeenkomsten en over de gewenste voortgang van de procedure;
pro formawordt voortgezet op
26 november 2018, in afwachting van de verhinderdata van partijen opdat er een nieuwe zittingsdatum gepland kan worden. Partijen worden tevens in de mogelijkheid gesteld tot die tijd met elkaar in overleg te treden. Partijen dienen de rechtbank
uiterlijk tien dagen vóór de nog te plannen zittingschriftelijk in te lichten over de gang van zaken en de gewenste voortgang van de procedure;