ECLI:NL:RBAMS:2018:8827

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
11 oktober 2018
Publicatiedatum
10 december 2018
Zaaknummer
13/684047-18
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 43a SrArt. 57 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling bedreiging en belediging supermarktmedewerker met voorwaardelijke gevangenisstraf

Op 28 januari 2018 heeft verdachte zich in een filiaal van Albert Heijn te Amsterdam schuldig gemaakt aan bedreiging en belediging van een supermarktmedewerker. Verdachte bedreigde het slachtoffer in het Arabisch met de woorden dat hij hem zou slachten en maakte daarbij een snijbeweging langs diens keel. Tevens beledigde verdachte het slachtoffer met grove scheldwoorden in het Arabisch.

De rechtbank achtte het wederrechtelijk binnendringen van de winkel niet bewezen, mede omdat verdachte verstandelijk beperkt is en mogelijk verwarring had over het winkelverbod. De bedreiging en belediging werden echter wel bewezen verklaard op basis van getuigenverklaringen en het eigen verhaal van het slachtoffer. Verdachte had eerder soortgelijke veroordelingen, wat meewoog in de strafoplegging.

De officier van justitie had een gevangenisstraf van 24 dagen geëist, waarvan 21 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en een contact- en locatieverbod van één jaar. De rechtbank volgde dit voorstel en legde deze straf op, rekening houdend met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder een verstandelijke beperking en psychische problematiek. Het vonnis werd uitgesproken op 11 oktober 2018 door de rechtbank Amsterdam.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 24 dagen gevangenisstraf, waarvan 21 dagen voorwaardelijk, met een contact- en locatieverbod van één jaar.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS
Parketnummer: 13/684047-18 (Promis)
Datum uitspraak: 11 oktober 2018
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen
[naam verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1970,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.

1.Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 27 september 2018.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.M. Ruijs en van wat verdachte en zijn raadsman mr. R.M. Sethpaul naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 28 januari 2018 te Amsterdam schuldig heeft gemaakt aan:
1. het wederrechtelijk binnendringen van de Albert Heijn (filiaal [adres] );
2. het bedreigen van [slachtoffer] door hem in het Arabisch de woorden toe te voegen “Als ik je op straat tegenkom, dan ga ik je slachten” en daarbij een snijbeweging langs zijn keel te maken;
3. het beledigen van [slachtoffer] door hem in het Arabisch de woorden toe te voegen “Je bent een kut Marokkaan, je bent een hoerenzoon, je zus neukt met negers, je bent een homo”.
De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3.Waardering van het bewijs

3.1
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 2 en 3 ten laste gelegde. Voor het onder 1 ten laste gelegde heeft zij vrijspraak gevraagd.
3.2
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit voor het onder 1 ten laste gelegde. Met betrekking tot het onder 2 en 3 ten laste gelegde heeft hij zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3
Oordeel van de rechtbank
3.3.1
Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde
Op 28 januari 2018 deed [slachtoffer] , teamleider van de Albert Heijn aan het [adres] te Amsterdam, aangifte. Omstreeks 16:00 uur kreeg hij van een collega door dat iemand (later bleek: verdachte) binnen kwam lopen die een winkelverbod had. Verdachte had het winkelverbod al minimaal 5 keer overtreden en dit was ook iedere keer aan hem medegedeeld. [slachtoffer] collega wilde verdachte in eerste instantie wegsturen, maar [slachtoffer] vond het nu wel ‘welletjes’. Hij besloot de winkel in te lopen en verdachte aan te houden voor huisvredebreuk.
De rechtbank acht - evenals de officier van justitie en de raadsman - het onder 1 ten laste gelegde niet bewezen. Verdachte heeft het winkelverbod van 10 augustus 2017 weliswaar ondertekend, maar is daarna meermalen in de winkel toegelaten. Nu op zitting en uit het rapport van I-Psy blijkt dat verdachte verstandelijk beperkt is, is het goed denkbaar dat er bij verdachte verwarring is ontstaan over het winkelverbod. Het staat dan ook onvoldoende vast dat verdachte het winkelverbod opzettelijk heeft overtreden.
3.3.2
Ten aanzien van het onder 2 en 3 ten laste gelegde
De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit. [1]
[slachtoffer] heeft verdachte op 28 januari 2018 in de Albert Heijn aan het [adres] aangehouden voor huisvredebreuk. [slachtoffer] liet verdachte in het kantoor plaatsnemen waar ook twee andere medewerkers van de Albert Heijn, [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] , aanwezig waren. In eerste instantie was verdachte rustig, maar daarna werd hij steeds agressiever. [slachtoffer] probeerde hem rustig te krijgen, maar verdachte bleef schreeuwen. Op een gegeven moment keek verdachte [slachtoffer] aan en schreeuwde hij in het Arabisch: “Als ik je op straat tegen kom, dan ga ik je slachten.” Terwijl hij dit riep, maakte hij met zijn vingers een snijdende beweging langs zijn keel. [slachtoffer] voelde zich bedreigd. Hij vindt verdachte gek genoeg om zijn bedreigingen ook daadwerkelijk uit te voeren. Terwijl de politie binnen kwam lopen, schold verdachte [slachtoffer] in het Arabisch uit. Hij riep onder andere: “Je bent een kut Marokkaan, je bent een hoerenzoon, je zus neukt met negers, je bent een homo.” [slachtoffer] voelde zich hierdoor beledigd. [2] Van het voorval waren meerdere getuigen. Zo hoorden twee verbalisanten dat verdachte [slachtoffer] uitschold voor “kut Marokkaan” [3] , hoorde [slachtoffer 3] dat verdachte zei dat hij [slachtoffer] ging slachten [4] en zag [slachtoffer 2] dat verdachte zijn vinger langs zijn keel haalde. [5]
De rechtbank acht, op grond van het voorgaande, het onder 2 en 3 ten laste gelegde bewezen.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht aldus bewezen dat verdachte:
ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde
op 28 januari 2018 te Amsterdam [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door voornoemde [slachtoffer 2] dreigend in het Arabisch de woorden toe te voegen: “Als ik je op straat tegenkom dan ga ik je slachten” en daarbij met zijn, verdachte’s vingers een snijbeweging heeft gemaakt langs zijn keel;
ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde
op 28 januari 2018 te Amsterdam opzettelijk [slachtoffer] , in zijn tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd door hem in het Arabisch de woorden toe te voegen: “Je bent een kut Marokkaan, je bent een hoerenzoon, je zus neukt met negers, je bent een homo”, zulks terwijl tijdens het plegen van het vorenomschreven misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een vroegere veroordeling van de schuldige (verdachte) tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan;
De rechtbank baseert deze beslissing op de in rubriek 3.3.2 weergegeven feiten en omstandigheden, zoals vervat in de als voetnoten weergegeven gebruikte bewijsmiddelen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5.Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6.Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7.Motivering van de straf

7.1.
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 2 en 3 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 21 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met als bijzondere voorwaarden een contact- en locatieverbod voor de duur van 1 jaar.
7.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen strafmaatverweer gevoerd.
7.3.
Oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het bedreigen en beledigen van [slachtoffer] . Door aldus te handelen heeft hij [slachtoffer] vrees aangejaagd en hem in zijn eer en goede naam aangetast.
De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen straf rekening gehouden met de ernst van de bewezen verklaarde feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komen in de wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Uit een verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 3 september 2018 volgt dat verdachte al eerder is veroordeeld voor bedreiging en belediging. Die eerdere veroordelingen hebben verdachte er kennelijk niet van weerhouden opnieuw soortgelijke strafbare feiten te begaan. De rechtbank weegt deze omstandigheid ten nadele van verdachte mee bij de straftoemeting.
De rechtbank houdt bij de strafoplegging echter ook rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals deze onder meer blijken uit de inhoud van het door de raadsman overgelegde I-Psy rapport van 17 oktober 2016. In het rapport staat onder andere dat verdachte (volgens onderzoek van justitie van 10 maart 2016) bekend is met een verstandelijke beperking, psychotische stoornis NAO (niet anders omschreven) en cluster B persoonlijkheidsproblematiek.
Alles afwegende komt de rechtbank tot het oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf voldoende recht doet aan de ernst van de feiten en de persoon van de verdachte.

8.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 43a, 57, 266 en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

9.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het onder 1 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het onder 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:
Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.
Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde:
Eenvoudige belediging.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[naam verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot
een gevangenisstraf van 24 dagen.
Beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Beveelt dat een gedeelte, groot 21 dagen, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.
Stelt daarbij een
proeftijd van 2 (twee) jarenvast.
De tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet aan de volgende algemene voorwaarden houdt.
Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:
1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
3. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.
De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
Contactverbod
1. gedurende het eerste jaar van de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] , zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Locatieverbod

2. zich gedurende het eerste jaar van de proeftijd niet bevindt in de Albert Heijn, filiaal [adres] Amsterdam, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.
Heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. J. Knol, voorzitter,
mrs. L. Voetelink en J.I.M. Kuin, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.J.M. van der Hooft, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 11 oktober 2018.
[...]

Voetnoten

1.[...]
2.[...]
3.[...]
4.[...]
5..