Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.Het onderzoek ter terechtzitting
2.Tenlastelegging
3.Voorvragen
Aangevoerd is dat door de officier van justitie onjuist, onzorgvuldig en onrechtmatig is gehandeld met betrekking tot de geheimhouderstukken. Verdachte is advocaat en zowel op zijn kantoor als in zijn woning zijn vertrouwelijke documenten in beslag genomen. Deze documenten vallen onder zijn verschoningsrecht. Ook bij een medeverdachte zijn zogenoemde geheimhouderstukken in beslag genomen. Onduidelijk is waar de geheimhouderstukken precies in beslag zijn genomen, wie de gegevens hebben ingezien en bovendien zijn onder verdachte in beslag genomen geheimhouderstukken aan een medeverdachte geretourneerd. De belangen van de geheimhoudingsplicht van advocaten zijn daardoor op grove wijze omzeild en miskend en het verschoningsrecht is geschonden. Door deze handelwijze heeft het Openbaar Ministerie een fundamentele inbreuk gemaakt op de grondslagen van het strafproces, waardoor het wettelijke systeem in de kern is geraakt (Karman-criterium). Dit moet tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie leiden, ook als de verdachte niet rechtstreeks in zijn belangen is geschaad. Daarnaast is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn die op zichzelf tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie zou moeten leiden. Daarbij is verwezen naar een uitspraak van de rechtbank Limburg van 23 maart 2018 (ECLI:NL:RBLIM:2018:10035).
4.Waardering van het bewijs
vervalsenvan de documenten D-001, D-002 en D-003, zijnde een verklaring, een (fax)brief en een verzendbewijs van een (fax)brief). De officier van justitie verwijst naar de verklaringen van de getuigen [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 4] , de uitspraken van de rechtbank en het Gerechtshof over het bestaan van de vordering van [medeverdachte] op [naam B.V.] en de door curator [getuige 4] ingebrachte documenten. Curator [getuige 4] heeft verklaard de brief D-002 nimmer te hebben ontvangen. Hij heeft op 3 juni 2004 wel een andere brief van verdachte ontvangen (D-011) en er zitten gelijkenissen tussen deze twee documenten. [getuige 1] heeft verklaard dat verdachte hem in een bespreking op 5 december 2011 heeft gezegd de vordering nooit te hebben ingediend. Indien de rechtbank tot een vrijspraak van het onder feit 1 primair tenlastegelegde oordeelt, dient een bewezenverklaring te volgen voor het onder feit 1 subsidiair tenlastegelegde (medeplegen van
opzettelijk gebruik makenvan voornoemde drie documenten) nu op basis van het dossier vast staat dat de valse geschriften door verdachte zijn ingebracht ten behoeve van het gebruik in de fiscale procedure bij het Gerechtshof.