De zaak betreft een beroep van omwonenden tegen de door het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam verleende omgevingsvergunning voor de bouw van een dakopbouw op een gebouw ten behoeve van broedplaatsen en ondergeschikte horeca. Eisers betogen dat de vergunning onterecht is verleend omdat het project in strijd zou zijn met het bestemmingsplan en het Bouwbesluit, en zij vrezen toename van overlast.
De rechtbank toetst de vergunning aan artikel 2.10 van de Wabo, dat een limitatief stelsel van weigeringsgronden bevat. De belangrijkste vraag is of het project in strijd is met het bestemmingsplan. Uit het bestemmingsplan volgt dat de broedplaats maximaal 4.200 m2 mag zijn en de horeca ondergeschikt mag zijn. Eisers stellen dat de horeca-oppervlakte moet worden meegerekend bij de broedplaats, wat tot overschrijding zou leiden, maar de rechtbank wijst dit af omdat het bestemmingsplan dit niet voorschrijft.
Verder oordeelt de rechtbank dat de horeca als bedrijfskantine ondergeschikt is aan de broedplaats en dat de openingstijden en het gebruik van balkons geen strijd opleveren met het bestemmingsplan. Het beroep op strijd met het Bouwbesluit faalt wegens onvoldoende onderbouwing en het relativiteitsvereiste. De rechtbank concludeert dat geen van de weigeringsgronden van artikel 2.10 Wabo aan de orde is en verklaart het beroep ongegrond.