ECLI:NL:RBAMS:2019:10243
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering verhuurder tot beëindiging huurovereenkomst wegens vermeende overlast
De verhuurder vorderde de beëindiging van de huurovereenkomst en ontruiming van de huurder vanwege vermeende ernstige overlast en spanningen. De verhuurder stelde dat de huurder agressief was, de badkamer afsloot, post was verdwenen en dat een vriend bij de huurder inwoonde. De huurder betwistte deze beschuldigingen.
De rechtbank stelde vast dat de verhuurder onvoldoende bewijs had geleverd voor de gestelde overlast. Zo kon het afsluiten van de badkamer ook een vergissing zijn, agressief gedrag was niet concreet gemaakt en het verdwijnen van post was niet bewezen als schuld van de huurder. Ook het verblijf van een vriend was toegestaan volgens de huurovereenkomst.
Daarnaast waren de klachten oud, met het enige medische bewijs daterend uit 2016, wat weinig gewicht kreeg bij de belangenafweging in 2019. De rechtbank oordeelde dat de huurovereenkomst niet kon worden beëindigd op grond van wanprestatie of omdat deze naar zijn aard van korte duur zou zijn.
De vordering werd afgewezen en de verhuurder werd veroordeeld in de proceskosten. De huurovereenkomst blijft van kracht en partijen moeten een oplossing vinden binnen die relatie.
Uitkomst: De vordering tot beëindiging van de huurovereenkomst en ontruiming wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van overlast.