ECLI:NL:RBAMS:2019:1904

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
19 februari 2019
Publicatiedatum
15 maart 2019
Zaaknummer
13/751237-16
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 22 OLWArt. 23 OLWArt. 29 OLWArt. 4 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid vordering tot in behandeling nemen Europees aanhoudingsbevel wegens overschrijding redelijke termijn en detentieomstandigheden in Roemenië

De rechtbank Amsterdam behandelde op 19 februari 2019 de vordering van het Openbaar Ministerie tot in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door Roemenië. Het EAB betrof de overlevering van een persoon verdacht van strafbare feiten volgens Roemeens recht. De procedure was gestart op 4 april 2016 en kende een langdurige duur.

Tijdens eerdere zittingen, waaronder die van 7 juni 2016, werd de procedure geschorst om de uitvaardigende autoriteit de gelegenheid te geven nadere informatie te verstrekken over de detentieomstandigheden in Roemeense gevangenissen. De rechtbank stelde vast dat er een reëel gevaar bestaat op onmenselijke of vernederende behandeling in Roemeense detentie, mede gebaseerd op jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en het Hof van Justitie van de EU.

De uitvaardigende autoriteit heeft geen concrete garanties verstrekt over humane detentieomstandigheden. Het Openbaar Ministerie kon daarom geen nieuwe informatie aanvoeren. De rechtbank oordeelde dat de redelijke termijn voor de procedure was overschreden en dat de overleveringsprocedure moest worden beëindigd. De officier van justitie werd niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering en de overleveringsdetentie werd beëindigd. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het Openbaar Ministerie wordt niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot in behandeling nemen van het Europees aanhoudingsbevel wegens overschrijding van de redelijke termijn en het ontbreken van garanties over humane detentieomstandigheden.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer 13/751237-16
RK-nummer: 16/2398
Datum uitspraak: 19 februari 2019
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 van Pro de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 4 april 2016 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 15 januari 2016 door
the Bucharest Tribunal – Criminal Divison I(Roemenië) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1962,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen en verblijvend op het adres
[BRP-adres] ,
hierna te noemen “de opgeëiste persoon”.

1.Procesgang

Zitting 7 juni 2016
De vordering is behandeld op de openbare zitting van 7 juni 2016. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. K. van der Schaft. De opgeëiste persoon is bijgestaan bijstaan door zijn raadsvrouw, mr. P.H. Ruys, advocaat te Rotterdam.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak zou moeten doen met dertig dagen verlengd. De reden hiervan is gelegen in het feit dat de rechtbank er niet in slaagt binnen de in de wet bepaalde termijn uitspraak te doen.
De rechtbank heeft het onderzoek op die zitting geschorst voor onbepaalde tijd om – kort gezegd – de uitvaardigende justitiële autoriteit in de gelegenheid te stellen nadere informatie te verschaffen over de specifieke detentieomstandigheden indien de opgeëiste persoon zal worden overgeleverd.
Zitting 19 februari 2019
De behandeling van de vordering is, met toestemming van de officier van justitie, voortgezet op de openbare zitting van 19 februari 2019. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Diependaal. De opgeëiste persoon en zijn raadsvrouw zijn – nadat de raadsvrouw dit schriftelijk aan de rechtbank had aangekondigd – niet verschenen.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Nederlandse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een
penal conclusion dated 22 juli 2014 in file 23.218/2014.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar het recht van Roemenië.
Deze feiten omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4.Detentieomstandigheden in Roemenië

4.1.
Inleiding
De rechtbank heeft ter zitting van 7 juni 2016 meegedeeld dat de rechtbank eerder voor gedetineerden in Roemeense gevangenissen een reëel gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling heeft aangenomen. Gelet op de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mensen (zie bijv. EHRM 25 april 2017, 61467/12, 39516/13, 48231/13 en 68191/13 (Rezmiveş e.a./Roemenië) ECLI:CE:ECHR:2017:0425JUD006146712), heeft de rechtbank vastgesteld dat vanwege de algemene detentieomstandigheden in Roemenië, met name vanwege overbevolking in de gevangenissen, voor gedetineerden in Roemeense gevangenissen een reëel gevaar bestaat van onmenselijke of vernederende behandeling, zoals bedoeld in artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
Verder heeft de rechtbank ter zitting van 7 juni 2016 meegedeeld dat het Hof van Justitie van de Europese Unie bij uitspraak van 5 april 2016 (HvJ EU 5 april 2016, C-404/15 (Pál Aranyosi) en C-659/15 PPU (Robert Căldăraru), ECLI:EU:C:2016:198) heeft bepaald dat de volgende stap is dat de uitvaardigende autoriteit informatie verschaft over de specifieke detentieomstandigheden in het geval de opgeëiste persoon zal worden overgeleverd. De vragen hierover zijn bij e-mail van 25 april 2016 door het Internationaal Rechtshulp Centrum aan de Roemeense autoriteiten voorgelegd.
4.2.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft meegedeeld dat er geen nieuwe informatie uit Roemenië is waarin concrete garanties worden gegeven ten aanzien van de omstandigheden waaronder de opgeëiste persoon zal worden gedetineerd na een eventuele overlevering. De officier van justitie heeft zich daarom op het standpunt gesteld dat zij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
Er is (nog) geen informatie beschikbaar die het vastgestelde reële gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling voor de opgeëiste persoon uitsluit. Er is ook geen concrete aanleiding te veronderstellen dat (op korte termijn) alsnog een individuele garantie met betrekking tot de detentieomstandigheden van de opgeëiste persoon zal worden verstrekt.
De rechtbank komt tot het oordeel dat in dit geval, in het licht van alle omstandigheden, de redelijke termijn is overschreden en dat de overleveringsprocedure moet worden beëindigd.
Onder verwijzing naar de overwegingen onder 5.3.3. en 5.4.3. van de uitspraak van deze rechtbank van 26 januari 2017 (ECLI:NL:RBAMS:2017:414), is de rechtbank van oordeel dat de officier van justitie daarom niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering tot het in behandeling nemen van het EAB.

5.Beslissing

VERKLAARTde officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering ex artikel 23 van Pro de OLW van 4 april 2016.
STELT VASTdat de (geschorste) overleveringsdetentie is beëindigd.
Aldus gedaan door
mr. J.A.A.G. de Vries, voorzitter,
mrs. A.W.C.M. van Emmerik en O.P.M. Fruytier, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. N. Wijkman, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 19 februari 2019.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.