ECLI:NL:RBAMS:2019:2211

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
21 maart 2019
Publicatiedatum
26 maart 2019
Zaaknummer
13/752131-18
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 45 SrArt. 245 SrArt. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming tot overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel voor seksueel misbruik minderjarige

De rechtbank Amsterdam behandelde op 21 maart 2019 een verzoek tot overlevering van een Portugese verdachte op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Portugese autoriteiten. Het EAB betreft een onherroepelijke veroordeling tot zes jaar gevangenisstraf voor seksueel misbruik van een minderjarige. De verdachte heeft de juistheid van zijn identiteit bevestigd en was bij de procedure aanwezig met bijstand van een advocaat en tolk.

De verdediging voerde aan dat het dossier onvolledig was vanwege het ontbreken van Nederlandse vertalingen en dat er nog een lopende procedure was waardoor het vonnis niet onherroepelijk zou zijn. De rechtbank verwierp deze bezwaren, stellende dat Engelse vertalingen volstaan en dat het vonnis onherroepelijk is verklaard na afwijzing van het hoger beroep.

De rechtbank beoordeelde de strafbaarheid van het feit en concludeerde dat aan de vereisten voor dubbele strafbaarheid is voldaan. Tevens werd onderzocht of detentieomstandigheden in Portugal een beletsel vormen voor overlevering. Op basis van rapporten van het Europees Comité ter Preventie van Foltering en toezeggingen van de Portugese autoriteiten achtte de rechtbank het risico op onmenselijke behandeling voldoende weggenomen.

Gelet op het ontbreken van weigeringsgronden en de naleving van de wettelijke eisen, besloot de rechtbank de overlevering toe te staan. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de verdachte aan Portugal toe voor de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf van zes jaar.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/752131-18
RK nummer: 19/410
Datum uitspraak: 21 maart 2019
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet Pro (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 17 januari 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 31 oktober 2018 door
the Braga District Judicial Court – Central Criminal Judgment of Guimarães – J1(Portugal) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] (Portugal) op [geboortedag] 1981,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in [detentieplaats] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 7 maart 2019. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. U.E.A. Weitzel. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. V.J.M. Janszen, advocaat te Haarlem en door een tolk in de Portugese taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Portugese nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een
Final Judgmentvan 3 maart 2014 (Process 56/09.0TACBC). Uit de e-mail van 22 februari 2019 van de Portugese justitiële autoriteit volgt dat de procedure heeft plaatsgevonden in
the Judicial Court of Cabeceiras de Basto.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van zes jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.
Uit het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot het vonnis van 3 maart 2014 heeft geleid.
Uit de aanvullende e-mail van 22 februari 2019 van de Portugese justitiële autoriteit volgt dat het vonnis onherroepelijk is geworden op 3 maart 2014, nadat het hoger beroep van de opgeëiste persoon is afgewezen als ongegrond. Uit de e-mail van 4 maart 2019 van de Portugese justitiële autoriteit en de verklaring van de opgeëiste persoon op zitting volgt dat hij ook in persoon aanwezig is geweest bij de behandeling van het hoger beroep. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro is dus niet van toepassing.
De raadsman voert aan dat het overleveringsverzoek onvolledig is omdat de stukken niet naar het Nederlands zijn vertaald. Daarnaast hebben de Portugese justitiële autoriteiten verzwegen dat er nog een procedure met betrekking tot deze zaak loopt, waardoor het vonnis niet onherroepelijk is. Hiertoe legt de raadsman een onvertaalde
Certidãovan 15 maart 2017 over.
Gelet hierop moet de overlevering worden geweigerd, aldus de raadsman.
Met de officier van justitie overweegt de rechtbank dat het ontbreken van een Nederlandse vertaling van de stukken niet kan leiden tot weigering van de overlevering. De Nederlandse autoriteiten hebben bij het Kaderbesluit EAB aangegeven ook Engels als officiële taal aan te merken, waarin stukken in overleveringszaken mogen worden aangeleverd. Derhalve kan niet van een onvolledig dossier worden gesproken wanneer er geen Nederlandse vertalingen maar wel Engelse vertalingen in het dossier zitten zoals hier het geval is. Voorts constateert de rechtbank met de officier van justitie dat uit de e-mail van 22 februari 2019 van de Portugese justitiële autoriteiten volgt dat het vonnis dat ten grondslag ligt aan het overleveringsverzoek op 3 maart 2014 onherroepelijk is geworden, nadat het hoger beroep ongegrond is verklaard. Het door de raadsman op zitting overgelegde stuk biedt geen aanknopingspunten voor de conclusie dat het voornoemde vonnis niet (langer) onherroepelijk is. Bovendien ziet de rechtbank geen enkel aanknopingspunt voor de stelling van de raadsman dat de Portugese justitiële autoriteiten informatie hebben achtergehouden in het kader van het verzoek tot overlevering. De verweren van de raadsman worden verworpen.

4.Strafbaarheid: feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd
poging tot het met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam

5.Detentieomstandigheden

De rechtbank heeft op basis van het rapport van
de European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment(CPT) over Portugal van 27 januari 2018 en de reactie van de Portugese autoriteiten op de bevindingen van het CPT van 27 februari 2018 een algemeen gevaar op onmenselijke of vernederende behandeling van gedetineerden in de detentie-instellingen in Lissabon, Caxias en Setúbal aangenomen (zie de tussenuitspraak van de rechtbank van 26 juli 2018 in een andere overleveringszaak, ECLI:NL:RBAMS:2018:5426).
De rechtbank heeft in de hiervoor genoemde tussenuitspraak verder geoordeeld dat met de bij verklaring van 18 oktober 2017 door de Portugese justitiële autoriteiten verstrekte waarborgen met betrekking tot de detentie-instelling in Lissabon het algemeen bestaande reëel gevaar op onmenselijke of vernederende behandeling aldaar voor de opgeëiste persoon was weggenomen. De rechtbank stelt vast dat deze verklaring in de onderhavige zaak aan de stukken is toegevoegd en dat deze waarborgen ook voor de opgeëiste persoon in de onderhavige zaak gelden.
Ten aanzien van Caxias en Setúbal heeft de rechtbank in dezelfde tussenuitspraak de Portugese justitiële autoriteiten aanvullende vragen gesteld. Hierop heeft de
Director General(
Deputy general prosecutor) van het
Directorate-General for Reintegration and Prison Servicesbij brief van 14 augustus 2018 in antwoord op deze aanvullende vragen onder meer medegedeeld:
(…)
In any case, it must be said that, with regard to the likelihood of extradited persons entering our Prison Facilities in Caixas and Setúbal in future, the question is moot, for various reasons: relative to PF Setúbal, because we do not transfer extradited persons from the Lisbon area to
this facility, and relative to CF Caxias, the housing space is being renovated so we do not transfer extradited persons to this facility either.
De rechtbank heeft vervolgens geconcludeerd dat met voornoemde toezeggingen het in het algemeen bestaande reële gevaar dat gedetineerden in de detentie-instellingen in Caixas en Setúbal onmenselijk of vernederend zullen worden behandeld, voor de opgeëiste persoon was weggenomen. De rechtbank stelt vast dat ook deze brief in de onderhavige zaak aan de stukken is toegevoegd en dat deze toezeggingen ook voor de opgeëiste persoon in de onderhavige zaak gelden.
Gezien het voorgaande vormen de detentieomstandigheden in Portugal, in het licht van artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, geen beletsel voor het toestaan van de overlevering van de opgeëiste persoon.

6.Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

7.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 45 en 245 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW.

8.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan
the Braga District Judicial Court – Central Criminal Judgment of Guimarães – J1(Portugal) ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, wegens het feit waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.
Aldus gedaan door
mr. M. van Mourik, voorzitter,
mrs. M.T.C. de Vries en M.J. Alink, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 21 maart 2019.
De jongste rechter is buiten staat de uitspraak mede te ondertekenen.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.