8.3.Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank ziet aanleiding om bij de strafoplegging acht te slaan op de afspraken zoals deze ten aanzien van een aantal delictsgroepen zijn neergelegd in de Landelijke Oriëntatiepunten voor straftoemeting Jeugd, die dienen ter bevordering van de rechtseenheid in de strafoplegging. Bij de vaststelling van deze oriëntatiepunten wordt uitgegaan van het modale feit gepleegd door
first offenders.
Het betreft in de onderhavige zaak een poging tot diefstal met geweld uit een woning, anders gezegd: een woningoverval.
Als uitgangspunt voor strafoplegging voor een dergelijk feit geldt als oriëntatiepunt dat – bij een first offender – onvoorwaardelijke jeugddetentie zal worden opgelegd van zes maanden. Strafverzwarende omstandigheden zijn aanleiding om de strafmaat naar boven te wijzigen. Strafverzwarende omstandigheden in deze zaak zijn het gebruik van fysiek geweld, de kwetsbaarheid van het slachtoffer, de plaats van het delict en het georganiseerde karakter van de daders.
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Verdachte heeft zich met zijn mededader schuldig gemaakt aan een woningoverval. En niet zomaar een woningoverval, maar een overval op een woning van een hoogbejaarde vrouw van 93 jaar. Een woningoverval is op zichzelf al een heel ernstig feit, dat enorme inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer en het huisrecht van een slachtoffer. Woningovervallen veroorzaken heftige gevoelens van angst en onveiligheid, bij de samenleving in het algemeen en bij slachtoffers in het bijzonder. De eigen woning is voor iedereen bij uitstek de plek waar men zich veilig zou moeten voelen. Maar in dit geval gaat het ook nog eens om een zeer kwetsbaar slachtoffer dat verdachte en zijn mededader hebben uitgekozen om te overvallen, vermoedelijk om zo gemakkelijk hun behoefte aan eigen geldelijk gewin te kunnen bevredigen. De rechtbank neemt het verdachte dan ook bijzonder kwalijk dat hij en zijn mededader hun slachtoffer haar gevoel van veiligheid in haar eigen huis hebben afgenomen. Dat geldt temeer nu voor mensen op die leeftijd de woning in het bijzonder de plek is waar zij een groot deel van de dag doorbrengen. De gevolgen voor de aangeefster zijn ten slotte zo groot geweest dat zij zich niet alleen onveilig voelt in haar eigen woning, maar ook niet meer naar buiten durft. Het slachtoffer heeft ook letsel opgelopen. De rechtbank rekent dat verdachte aan.
De rechtbank heeft kennisgenomen van een Uittreksel Justitiële Documentatie
d.d. 14 februari 2019 waaruit blijkt dat verdachte niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld. Hij zal dan ook worden aangemerkt als first offender. Dat weegt enerzijds in zijn voordeel mee, anderzijds heeft verdachte zich kennelijk vanuit het niets schuldig gemaakt aan een zeer ernstig strafbaar feit, te weten een woningoverval op een hoogbejaarde vrouw. Dat verdachte, noch de deskundigen, kunnen verklaren dat en waarom verdachte zich vanuit het niets aan een zo ernstig feit heeft schuldig gemaakt, maakt de inschatting van het recidiverisico lastig en baart de rechtbank zorgen voor de toekomst.
De rechtbank heeft kennis genomen van het psychologisch onderzoek pro justitie betreffende verdachte van dr. F.W. Schalkwijk van 26 februari 2019. De rapporteur geeft daarin onder meer het volgende aan.
Betrokkene, ten tijde van het tenlastegelegde feit 16 jaar, bekent dat hij deelnam aan de poging tot beroving van een 93-jarige vrouw in haar woning. Bij het beargumenteren van een mogelijke relatie tussen de persoonlijkheidsontwikkeling van betrokkene en het ten laste gelegde is het lastig dat betrokkene zich zo weinig uitlaat over de omstandigheden waarin hij tot het ten laste gelegde kwam en over de rol van de medeverdachte daarin. Betrokkene neemt de verantwoordelijkheid voor zijn handelen op
zich, wellicht mede omdat hij, mede dankzij zijn behoorlijk goed ontwikkelde geweten, de
psychische last van het ten laste gelegde ervaart. Het ten laste gelegde is betrokkene’s eerste criminele feit en hij is verbaasd over en teleurgesteld in zichzelf. In het onderzoeksgesprek zijn schaamte en schuld voelbaar aanwezig in de kamer en deze lijken niet sociaal wenselijk ingegeven. Betrokkene is werkelijk geschokt over zichzelf. Mogelijk dat hij er
weinig over wil verklaren om niet nog meer schaamte en schuld te ervaren. Maar onderzoeker
sluit ook niet dat betrokkene, twee maanden na het tenlastegelegde, al weer over is gegaan tot de orde van de dag en die schokemoties al weer afgesloten heeft. Vermijdt hij zo opnieuw schaamte en schuld te ervaren, kan hij de impact werkelijk al niet meer voelen of speelt er toch ook opportunisme en manipuleren van onderzoeker mee in zijn uitingen van schaamte en schuld? Onderzoeker kan geen relatie leggen tussen het tenlastegelegde en betrokkene‘s persoonlijkheid en adviseert om betrokkene, indien schuldig bevonden, te beschouwen als toerekeningsvatbaar. Onderzoeker heeft sterk de indruk dat betrokkene door het tenlastegelegde werkelijk onaangenaam in zijn identiteit is geraakt, maar dat hij er op korte termijn ook toe zal neigen terug te zakken in passiviteit en verbloemen van de realiteit. Betrokkene zal, indien schuldig bevonden, begeleiding nodig hebben om zijn vermogen frustraties te verdragen, gemotiveerd te kunnen blijven voor verandering en
actief toekomstgericht te worden. Het is niet te verwachten dat hij dit uit zichzelf of door de
inzet van zijn moeder zal kunnen. Bovendien dient de hypothese dat betrokkene’s delict mogelijk een verschuiving van zijn woede over de scheiding is, onderzocht te worden.
Onderzoeker adviseert betrokkene een verplicht contact op te leggen met het Forensisch Jeugdteam van Arkin, waar door de multidisciplinaire aanpak aandacht kan worden gegeven aan de systeemproblematiek, aan het lichaamsgewicht en aan de problematiek van een kind van een ouder met psychiatrische problematiek. Maar bovenal is begeleiding van betrokkene nodig in de richting van meer anticiperend eigen verantwoordelijkheid nemen en het kunnen gaan uiten van emoties. Dit alles in het kader van het bevorderen van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling.
De rechtbank heeft kennis genomen van het advies van de Raad van 11 maart 2019. Daarin geeft de Raad onder meer het volgende aan.
[verdachte] is een bekennende verdachte en geeft als motief dat hij geld wilde hebben voor merkkleding of een dure telefoon. [verdachte] is niet eerder met justitie in aanraking gekomen. De Raad conformeert zich aan het advies van het NIFP. Binnen het kader van de maatregel toezicht en begeleiding kan de begeleiding van het Forensisch Jeugdteam van Arkin ingezet worden. Daarbij is er toezicht op dat de schoolgang van [verdachte] positief wordt gecontinueerd, hij leert omgaan met zijn emoties, hij leert om verantwoordelijkheid te nemen en werkt aan zijn lichamelijke gezondheid. Het is opvallend dat [verdachte] , ondanks de vele beschermende factoren, toch in aanraking is gekomen met de politie op verdenking van een ernstig delict. Gezien de ernst van het feit adviseert de Raad daarnaast een deels voorwaardelijke jeugddetentie, om [verdachte] zo te motiveren niet opnieuw in aanraking te komen met de politie. Wel is het wenselijk als het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan het voorarrest, zodat [verdachte] niet opnieuw gedetineerd raakt. [verdachte] geeft aan er alles aan te willen doen om niet opnieuw gedetineerd te raken. De Raad adviseert [verdachte] een deels voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen onder de bijzondere voorwaarden dat hij onderwijs volgt volgens het lesrooster, meewerkt aan hulpverlening en behandeling, zoals het Forensisch Jeugdteam van Arkin en IFA, zich houdt aan het huidige weekschema voor de duur van drie maanden, zich houdt aan het contactverbod en locatieverbod voor de duur van drie maanden. Ter zitting heeft de Raad gepersisteerd bij het voornoemde advies, met dien verstande dat het contactverbod met de aangeefster gedurende de gehele proeftijd zou moeten gelden.
JBRA heeft ter zitting aangegeven dat verdachte een sociale jongen is, die gemakkelijk contact legt. Daardoor zijn mensen geneigd hem veel kansen te geven en daardoor krijgt verdachte veel dingen voor elkaar. Hij zoekt daarin de ruimte op. Verdachte houdt zich goed aan zijn schorsingsvoorwaarden en heeft baat bij het strakke kader dat die hem bieden. Het is van belang dat aan hem vergelijkbare bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel worden opgelegd.
De rechtbank acht het bewezen verklaarde feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan – bij een hoogbejaard en kwetsbaar slachtoffer – in beginsel zo ernstig dat een jeugddetentie van ten minste zes maanden daarop een passende sanctie is. Het door verdachte ondergane voorarrest is, daargelaten dat dit in de Kleinschalige Voorziening is geweest (een regime dat niet te vergelijken is met dat in een Justitiële Jeugdinrichting), ontoereikend als bestraffing voor wat verdachte heeft gedaan. Bestraffing is ook niet het doel van voorlopige hechtenis, maar is wel één van de doelen van het (jeugd)strafrecht. Dat doel is in deze zaak nog niet bereikt en wordt door alleen het opleggen van een jeugddetentie waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan het voorarrest ook niet bereikt. Daar komt bij dat de rechtbank niet de indruk heeft dat verdachte voldoende beseft hoe ernstig het door hem gepleegde feit is. Verdachte is voor dit feit dan ook nog niet voldoende gestraft en hij neemt daarvoor ook nog onvoldoende verantwoordelijkheid. Hoewel verdachte de indruk heeft willen wekken dat hij verantwoordelijkheid neemt voor zijn daad – door zijn rol bij het ten laste gelegde te bekennen – heeft hij weinig willen verklaren over zijn eigen rol en niets willen verklaren over zijn mededader, die dus mogelijk nog vrij rondloopt, hetgeen een angstwekkende gedachte voor het slachtoffer moet zijn. Verdachte heeft er alles aan gedaan zijn eigen rol bij het begane feit zo klein mogelijk te houden en heeft zijn betrokkenheid bij het ten laste gelegde op geleide van de bewijsmiddelen mondjesmaat uitgebreid. Dat verdachte zich niet heeft beziggehouden met het uitkiezen van het slachtoffer en dat hij zelfs niet wist dat zij hoogbejaard was, komt de rechtbank ongeloofwaardig over. De rechtbank ziet, net als de psycholoog, bij verdachte de neiging terug te zakken in passiviteit en het verbloemen van de realiteit. Mede daarom ziet de rechtbank aanleiding aan verdachte begeleiding in een verplicht kader als bijzondere voorwaarde op te leggen, om verdachte te motiveren en gemotiveerd te houden voor gedragsverandering.
Hoewel de rechtbank vindt dat verdachter meer straf verdient dan het tot nu toe ondergane voorarrest, ziet de rechtbank evenwel met de Raad onder ogen dat het op dit moment opnieuw gedetineerd raken van verdachte een ongewenste doorkruising van zijn persoonlijke omstandigheden zou opleveren. Dat zou immers de schoolgang en stage van verdachte frustreren en dat is niet in het belang van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van verdachte. Juist bij minderjarigen is deze zo gunstig mogelijke ontwikkeling van een verdachte een belangrijk uitgangspunt bij het opleggen van straffen en/of maatregelen. Het pedagogisch effect van een straf is in het jeugdstrafrecht belangrijker dan de straf(fen) op zich. Daarom zal de rechtbank aan verdachte toch een jeugddetentie opleggen, waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan het ondergane voorarrest. Aan het voorwaardelijk deel van de jeugddetentie zal de rechtbank de door de hulpverlening geadviseerde bijzondere voorwaarden verbinden zoals hierna te noemen. Omdat verdachte zoals hiervoor is overwogen nog een straf moet ervaren voor het door hem gepleegde feit, zal de rechtbank hem tevens een werkstraf opleggen van na te noemen duur.