Op 28 juni 2018 probeerden drie verdachten samen een motorfiets te stelen in Amsterdam. De rechtbank acht bewezen dat zij gezamenlijk het slot van de motor hebben verbroken en de motor hebben proberen weg te nemen, waarbij hun rollen min of meer inwisselbaar waren, hetgeen medeplegen oplevert.
De bewijsvoering bestond uit een getuigenverklaring, het signalement van de verdachten, het aantreffen van een betonschaar met verse menselijke geur en het feit dat de verdachten probeerden te vluchten toen de politie arriveerde. De verdediging voerde bewijsverweren aan, maar deze werden door de rechtbank verworpen.
De rechtbank hield rekening met eerdere veroordelingen van verdachte, zijn beperkte medewerking aan psychologisch onderzoek en het recidivegevaar. Gezien de ernst van het feit en de omstandigheden legde de rechtbank een gevangenisstraf van twee maanden op, lager dan het uitgangspunt van drie maanden vanwege poging, en een taakstraf van zestig uur.
De benadeelde partij kreeg een materiële schadevergoeding van €130,- toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente, terwijl de vordering tot immateriële schadevergoeding werd afgewezen. De rechtbank legde ook een schadevergoedingsmaatregel op aan verdachte.
Het vonnis werd uitgesproken op 2 april 2019 door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Amsterdam.