De voorzieningenrechter van de Rechtbank Amsterdam heeft op 7 mei 2019 uitspraak gedaan in een kort geding tussen eiser en gedaagde over de opschorting van een dwangsom opgelegd bij vonnis van 29 maart 2019. Eiser was veroordeeld tot ontruiming van een stukje grond en het terugplaatsen van een schutting, met een dwangsom bij niet-nakoming. Eiser had grotendeels aan het vonnis voldaan, maar kon een klein stuk muur niet binnen de gestelde termijn verwijderen vanwege technische en financiële bezwaren.
Eiser verzocht om opschorting van de dwangsom op grond van artikel 611d Rv wegens tijdelijke onmogelijkheid om volledig aan het vonnis te voldoen. Gedaagde betwistte dit en stelde dat eiser onvoldoende inspanningen had verricht en dat de omstandigheden niet nieuw waren.
De voorzieningenrechter oordeelde dat eiser voldoende aannemelijk had gemaakt dat het verwijderen van het stuk muur technisch complex en kostbaar was, en dat hij al het mogelijke had gedaan om aan het vonnis te voldoen. De dwangsom verloor daardoor haar werking als prikkel. De looptijd van de dwangsom werd daarom opgeschort tot 14 mei 2019, waarna deze weer zou ingaan als eiser dan nog niet had voldaan. Gedaagde werd veroordeeld in de proceskosten.