De rechtbank Amsterdam behandelde het beroep van eiser tegen de SVB die zijn AOW-uitkering had beëindigd wegens vermeende onttrekking aan de tenuitvoerlegging van een vervangende hechtenis. Eiser was veroordeeld tot een werkstraf die was omgezet in 38 dagen vervangende hechtenis, maar stond niet ingeschreven in de Basisregistratie Personen en werd daarom als voortvluchtig aangemerkt.
De SVB beëindigde de AOW-uitkering met ingang van 19 januari 2018, omdat eiser zich zou hebben onttrokken aan de hechtenis. Eiser stelde dat hij zich niet onttrokken had en dat de SVB onvoldoende had gemotiveerd dat hij zich onttrokken had. De rechtbank oordeelde dat onder onttrekking aan de tenuitvoerlegging van een straf wordt verstaan dat Justitie pogingen heeft ondernomen om de straf te effectueren, wat hier niet het geval was.
De rechtbank vond dat de SVB niet aannemelijk had gemaakt dat eiser zich onttrok, mede omdat eiser zich conform afspraak regelmatig meldde bij de SVB en Justitie via bekende contactgegevens had kunnen proberen hem te bereiken. Het beroep werd gegrond verklaard, het bestreden besluit en de primaire besluiten werden vernietigd, en de SVB werd opgedragen een nieuw besluit te nemen. Tevens werd de SVB veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.