Op 1 januari 2019 heeft verdachte in Amsterdam met een scherp hakmes meerdere steken gericht op het hoofd en de nek van het slachtoffer, waarbij het slachtoffer gewond raakte aan arm en been. De rechtbank achtte bewezen dat verdachte voorwaardelijk opzet had op de dood van het slachtoffer, maar niet met voorbedachten rade handelde.
De verdediging voerde aan dat er geen opzet was en dat het letsel niet zwaar was, terwijl de officier van justitie poging tot doodslag vorderde. De rechtbank verwierp het verweer en oordeelde dat verdachte bewust het risico aanvaardde dat het slachtoffer zou overlijden.
Verdachte werd veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest. De rechtbank wees de gevorderde schadevergoeding deels toe: €200 materiële en €500 immateriële schade, met wettelijke rente vanaf de datum van het strafbare feit. De rest van de vordering werd niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende onderbouwing.
De rechtbank oordeelde dat het vuurwapengebruik bij de aanhouding niet onrechtmatig was en dat er geen vormverzuim had plaatsgevonden. Het strafblad en recidivekans van verdachte werden meegewogen bij de strafoplegging. Tevens werd een schadevergoedingsmaatregel opgelegd met vervangende hechtenis bij niet-betaling.