Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
1.Procesgang
2.Identiteit van de opgeëiste persoon
3.Grondslag en inhoud van het EAB
4.Bevoegdheid tot uitvaardiging van het EAB
60 Uit de overwegingen in de punten 50 tot en met 59 van dit arrest volgt dat een autoriteit, zoals een openbaar ministerie, dat beschikt over de bevoegdheid om in het kader van de strafprocedure strafvervolging in te stellen tegen een persoon die ervan wordt verdacht een strafbaar feit te hebben gepleegd, teneinde hem voor de rechter te brengen, moet worden geacht deel te nemen aan de rechtsbedeling in de betrokken lidstaat.
zoalseen nationaal aanhoudingsbevel” in de punten67 en 69) en zijn deze overwegingen dus niet beperkt tot gevallen waarin een eventueel EAB ten behoeve van vervolging strekt. De in overweging 71 omschreven taak van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit bij de beslissing over het uitvaardigen van een EAB is naar haar aard van toepassing zowel op de beslissing over het uitvaardigen van een EAB ten behoeve van vervolging als op de beslissing over het uitvaardigen van een EAB ten behoeve van executie. In overweging 72 oordeelt het Hof van Justitie dat het aan de uitvaardigende rechterlijke autoriteit als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van Kaderbesluit 2002/584/JBZ is om het beschermingsniveau op het tweede niveau te waarborgen, “zelfs indien dit Europees aanhoudingsbevel gebaseerd is op een nationale beslissing van een rechter of een rechterlijke instantie”. Een veroordelend vonnis is ook een nationale beslissing van een rechter of een rechterlijke instantie. De verwijzing in de overwegingen 71 en 72 naar artikel 6, eerste lid, van Kaderbesluit 2002/584/JBZ biedt verdere steun aan deze lezing, omdat deze bepaling evenmin onderscheid maakt tussen een EAB ten behoeve van vervolging en een EAB ten behoeve van executie.
5.Beslissing
SCHORSThet onderzoek voor onbepaalde tijd;