Eiseres ontvangt sinds 2005 bijstand en werd na een anonieme melding onderzocht vanwege vermoedelijk bezit van een woning in Marokko, wat zij niet uit eigen beweging had gemeld. Het college verzocht haar om diverse documenten over deze woning, waaronder haar Marokkaanse identiteitskaart en bewijsstukken van verkoop, die zij niet tijdig aanleverde.
Na meerdere verzoeken en een gesprek waarin zij onvoldoende informatie gaf, besloot het college haar bijstandsuitkering per 17 juli 2018 op te schorten en vervolgens in te trekken. Eiseres leverde later alsnog documenten aan, maar pas na het bezwaarproces was gestart. Zij stelde dat het college het bewijs van haar recht op bijstand moest leveren en dat zij alles had gedaan om de gevraagde stukken te verkrijgen.
De rechtbank oordeelt dat eiseres niet tijdig heeft voldaan aan haar medewerkingsplicht zoals voorgeschreven in de Participatiewet. De late aanlevering van documenten kon niet worden geaccepteerd omdat zij niet aannemelijk maakte dat eerder overleggen redelijkerwijs onmogelijk was. Het college heeft derhalve terecht gebruikgemaakt van zijn bevoegdheid tot intrekking van de bijstand. Het beroep wordt ongegrond verklaard.