Uitspraak
1. Het onderzoek
- Viool: het onderzoek naar de moord op [slachtoffer 1] en de doodslag op [slachtoffer 2] ,
- Enclave: het onderzoek naar de moord op [slachtoffer 3] en de poging doodslag/zware mishandeling van [slachtoffer 7/benadeelde partij 1] (hierna: [slachtoffer 7/benadeelde partij 1] ),
- Agenda: het onderzoek naar de moord op [slachtoffer 5] ,
- Perugia: het onderzoek naar de moord op [slachtoffer 6] ,
- Fazant: het onderzoek naar de poging moord op [slachtoffer 4] ,
- Boeddha: het onderzoek naar de moord op [slachtoffer 4] .
2. Tenlastelegging
Voorvragen
4. Waardering van het bewijs
was met [naam 6] (hierna: [naam 6] ) en [naam 7] (hierna: [naam 7] ) overeengekomen dat zij de moord zouden plegen. [naam 5] en [naam 1] hebben [naam 6] en [naam 7] de nodige informatie, wapens en een auto verschaft. [naam 5] heeft hen na afloop geld gegeven.
Met betrekking tot de journalist [journalist 1]
is doodgeschoten door [naam 10] (hierna: [naam 10] ), zei verdachte tegen [zus 1] . Ook vertelde verdachte haar dat hij, verdachte, via [naam 9] dan wel [naam 10] de eerste ‘Joego’s’ had leren kennen. “Hij was de maffia”, zei verdachte tegen [zus 1] .
Vervolgens is het telefoongesprek van verdachte met [journalist 1] op de opname te horen. Verdachte deed tegenover [journalist 1] alsof hij net zijn advocaat aan de telefoon had gehad en had gehoord dat sommige stukken niet kloppen. Verdachte wilde weten over welke personen [journalist 1] nog meer zou gaan schrijven. Verdachte wilde namen horen en zei dat [journalist 1] niet moeilijk moest doen en gewoon die namen tegen verdachte moest noemen. Verdachte wilde ook weten wat [journalist 1] over hem zou gaan schrijven, of het belastend of vervelend zou zijn. Verdachte maakte [journalist 1] duidelijk dat [journalist 1] niet zou moeten gaan schrijven wat ‘die mensen allemaal’ over verdachte zeiden. Verdachte hoopte dat [journalist 1] en hij daar geen ruzie om zouden krijgen, waar verdachte aan toevoegde: “Begrijp je wat ik bedoel?”. Verdachte wilde vervolgens weten wat er op de cover van het boek zou komen te staan. Hijzelf niet, begreep verdachte, “Heel goed”, zei hij toen. [zus 2] ook niet, concludeerde verdachte uit wat [journalist 1] zei. Verdachte wilde ook dat [journalist 1] zou proberen [zus 2] uit het boek te houden, “Want die heeft het er al moeilijk genoeg mee”. Verdachte wilde van [journalist 1] weten wanneer het hele manuscript zou worden verstrekt en wanneer het boek zou uitkomen. Als verdachte het manuscript gelezen had, zou hij nog dingen met [journalist 1] veranderen.
Na afloop van het gesprek met [journalist 1] zei verdachte tegen [zus 1] en mr. [advocaat 1] dat [journalist 1] niets vervelends zou gaan schrijven; [journalist 1] wilde absoluut geen ruzie met verdachte. Mr. [advocaat 1] zei daarop dat de toon van verdachte ook niets aan duidelijkheid te wensen over had gelaten. Verder is te horen op de opname dat verdachte met [zus 1] en mr. [advocaat 1] afsprak wie wanneer het manuscript zou lezen. Verdachte zei dat hij het met [zus 1] zou doornemen en zei vervolgens tegen haar het verder te regelen met zijn advocaat.
Met betrekking tot de journalist [journalist 2]
- 11 februari 2003, naar aanleiding van de moord op [slachtoffer 1] ;
- 14 en 27 juni 2004, naar aanleiding van de moord op [slachtoffer 3] ;
- 19 augustus 2004, naar aanleiding van de publicatie in ‘De Telegraaf’ dat [slachtoffer 3] een huurmoordenaar had ingeschakeld om verdachte te vermoorden;
- 22 januari en 25 juni 2005, naar aanleiding van publicaties in ‘de Nieuwe Revu’ over de betrokkenheid van verdachte bij afpersingen;
- 6 november 2005, naar aanleiding van de moord op [slachtoffer 8] (hierna: [slachtoffer 8] ), [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] en
- 6 december 2005, omdat verdachte aan [journalist 2] floppy’s met daarop het dossier van [slachtoffer 3] wilde geven.
Met betrekking tot de journalist [journalist 3]
1. zijn aan deze kroongetuigen, in ruil voor het afleggen van verklaringen over verschillende tenlastegelegde feiten, toezeggingen gedaan die de wet niet toestaat;
2. zijn voor deze getuigen getuigenbeschermingsmaatregelen getroffen die ten onrechte niet zijn getoetst door een rechter?
Met de uitleg van de Hoge Raad in de arresten in het Passageproces van 23 april 2019 is duidelijkheid gekomen over de (uitleg van de) wettelijke regeling van de kroongetuige, waaraan in de rechtspraktijk behoefte bestond, zoals is gebleken uit de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 29 juni 2017 in het Passageproces en de conclusies van de Advocaat-Generaal mr. A.E. Hartveld in dat proces, genomen op 18 december 2018.
Afspraak om van ontneming af te zien
Getuigenbescherming
Het verweer wordt verworpen.
Strafeis en omvang van de vervolging
[verdachte] -weglatingen
De rechtbank kan, indien blijkt dat bij het voorbereidend onderzoek vormen zijn verzuimd die niet meer kunnen worden hersteld en de rechtsgevolgen hiervan niet uit de wet blijken, bepalen dat de resultaten van het onderzoek die door het verzuim zijn verkregen niet mogen bijdragen aan het bewijs van het tenlastegelegde.”
Anders dan de verdediging heeft betoogd, is de rechtbank van oordeel dat ook in de strafzaak tegen verdachte toereikende compensatie van dit verzuim heeft plaatsgevonden.
De proportionaliteit zoals die door de verdediging is geschetst en die volgens hen geschonden zou zijn, is -artikel 226h, derde lid, Sv goed beschouwd- geen onderwerp van toetsing door de rechter-commissaris. Evenmin is in dat opzicht een rol voor de zittingsrechter weggelegd.
Daarnaast heeft de verdediging gewezen op incidenten van meer algemene aard die zich hebben voorgedaan in het Passageproces met en rond [naam 2] . De verdediging heeft genoemd de opstelling van [naam 2] op de zittingen in Passage en de conflicten van [naam 2] met het openbaar ministerie en het Team Getuigenbescherming, en gesteld dat daaruit bleek dat [naam 2] op niets anders uit was dan “uit het wereldje kunnen stappen met instandhouding van een levensstandaard die hij op eigen kracht en met normale werkzaamheden nimmer zou kunnen bekostigen”. De verdediging heeft voor de nadere invulling van de incidenten verwezen naar de pleidooien in Passage.
Primair moeten de verklaringen buiten beschouwing worden gelaten voor het bewijs, omdat de onrechtmatige verklaringsafspraak zijn weerslag heeft gehad op de inhoud van de verklaringen van deze getuige.
De verklaringen van [zus 2] en [zus 1] dat [slachtoffer 1] tot aan zijn dood een goede relatie met [naam 18] (hierna: [naam 18] ) heeft onderhouden, staan lijnrecht tegenover de verklaringen van meerdere getuigen, waaronder [naam 19] (hierna: [naam 19] ), de weduwe van [naam 18] , die inhouden dat de verhouding tussen [slachtoffer 1] en [naam 18] ernstig was verstoord sinds de verdeling van hun gemeenschappelijk bezit in 1996. Ook is uit de verklaring van [naam 19] gebleken dat verdachte en [naam 18] na de verdeling nog wel eens wat dronken samen op een terras in Spanje, terwijl [zus 2] en [zus 1] hebben verteld dat [naam 18] bang was voor verdachte. Gebleken is dat door [zus 2] en [zus 1] , en de andere betrokkenen in Goudsnip, ter verdediging was afgesproken om te verklaren dat [slachtoffer 1] de Achterdam nog bij leven aan [naam 18] had verkocht. Om geloofwaardig te zijn, moest de verhouding tussen [slachtoffer 1] en [naam 18] als goed worden gekenschetst. Ook nadat [zus 2] in Vandros heeft verklaard dat zij de Achterdam na de dood van [slachtoffer 1] aan [naam 18] heeft verkocht, hebben zij en [zus 1] volgehouden dat de verhouding tussen [slachtoffer 1] en [naam 18] tot aan de dood van [slachtoffer 1] goed is geweest. Dit hebben zij gedaan om ook vol te kunnen houden dat [naam 18] bang was voor verdachte. Dat laatste kwam hen goed van pas, in het kader van het negatieve beeld dat zij van verdachte hebben neergezet.
De verdediging heeft bovendien niet duidelijk gemaakt welke belangen er gediend zijn met de verklaringen die [zus 2] en [zus 1] in Vandros hebben afgelegd over de verkoop van de Achterdam en ‘ [villa] ’, in relatie tot hun verklaringen over verdachte.
Algemeen: Is Goudsnip een belang om in Vandros te liegen over verdachte?
Deze strafzaak is voor [zus 2] geëindigd in 2011 [17] met een transactieovereenkomst, nadat zij schriftelijk (naar nu blijkt in strijd met de waarheid) had verklaard dat [slachtoffer 1] de Achterdam al bij leven had verkocht aan [naam 18] . De strafzaak tegen [zus 1] is geëindigd met een sepot [18] , voor zover de rechtbank weet, in dezelfde periode.
heeft hem verteld over haar bijzondere relatie met verdachte en de gevolgen van zijn handelen voor haar familie en voor haarzelf. [zus 1] gaf aan dat zij vaak dingen moest doen voor haar broer, zoals het verzamelen van informatie, en dat hij daarbij druk op haar uitoefende zodat zij niet kon weigeren. [zus 1] onderhield contact met haar broer, zodat zij zicht hield op zijn handelen en zij mogelijk gevaar kon inschatten. [zus 1] voelde zich niet vrij om het contact met haar broer te verbreken. Zij typeerde de situatie als onhoudbaar; detentie van haar broer zou haar en haar familie rust geven.
[zus 2] heeft verklaard dat voor haar de beslissende factor om te gaan verklaren, is geweest dat verdachte moet boeten voor de moord op [slachtoffer 1] , de vader van haar kinderen. Maar voor zowel [zus 1] als [zus 2] was de belangrijkste reden om te gaan verklaren dat zij wilden voorkomen dat er nieuwe slachtoffers zouden vallen.
De verklaringen over de Achterdam en [villa]
Op 27 februari 2017 heeft [zus 2] vragen van de verdediging beantwoord over het verkrijgen en vervolgens verkopen in 2003 van ‘ [villa] ’ aan [naam 20] . Zij heeft toen ook verteld dat [naam 18] later het huis heeft gekocht van [naam 20] . [naam 18] heeft [zus 2] het resterende bedrag betaald dat [naam 20] haar nog schuldig was.
Goudsnip: belang verdachte bij losgeld en gokhallen?
heeft verder verklaard dat zij tot 2013 een behoorlijk leuk leven had, ondanks wat zij met justitie en met verdachte te stellen had. Zij heeft gezegd dat zij geen enkel eigen belang heeft gehad om verdachte erin te luizen, omdat zij door te gaan verklaren alles heeft verloren; haar gezinsleven staat op een laag pitje en haar werk, inkomen en vrijheid is zij kwijt. Zij heeft daar nog aan toegevoegd dat zij in 2013 toch niet kon weten dat zij in 2017 succes zou hebben met de verkoop van een boek. Bovendien zegt zij niet eens de mogelijkheid te hebben geld uit te geven, omdat zij in een getuigenbeschermingsprogramma zit. [31]
Voor de beoordeling van de verklaringen van de zussen acht de verdediging met name van belang dat zijn zussen stellen bang voor verdachte te zijn geweest en dwang van hem te hebben ervaren. Niet alleen noemen de zussen dit als een rechtvaardiging voor hun handelwijze in relatie tot de miljoenen van [slachtoffer 1] , maar bijvoorbeeld ook als verklaring, als hen gevraagd wordt naar het aardig doen tegen verdachte, zoals dat in de enorme hoeveelheid tapgesprekken naar voren komt. Uit de getapte gesprekken tussen verdachte en zijn familie blijkt dat [zus 2] en [zus 1] daarover liegen, aldus de verdediging. Dat het aardig doen gespeeld zou zijn geweest, acht zij ongeloofwaardig.
Verklaring [zus 2]
Dat contact veranderde na die aanslag op [slachtoffer 1] , omdat verdachte toen optrok met [slachtoffer 4] en [slachtoffer 9] . [zus 2] wist dat dat gevaarlijke mensen waren. Het contact met verdachte was voor haar onaangenaam geworden. Zij kon niet tegen hem ingaan of iets tegen hem zeggen; het contact ging ook altijd van hem uit.
Verklaring [zus 1]
Verklaring [broer]
Verklaring [voormalig partner]
Verklaring [naam 26]
Van de dwang waarin zijn bemoeienis met haar kon uitmonden, heeft verdachte bovendien zelf een beeldend voorbeeld gegeven: hij heeft [zus 2] een keer ongevraagd letterlijk opgepakt en haar in zijn open auto gezet om het goed te gaan maken met [slachtoffer 1] nadat zij die tijdelijk de deur had gewezen. [42]
Wat die opnames ook laten zien, is hoe goed [zus 2] en [zus 1] in staat waren om ‘gewoon’ te doen. Meermalen is te horen dat zij verdachte hartelijk begroeten en dat zij zeggen het samenzijn gezellig te vinden, terwijl alleen al uit het feit dat [zus 1] op datzelfde moment het gesprek opneemt, blijkt dat wordt ‘gedaan alsof’. [43]
‘A perfect Storm’heeft de verdediging bij pleidooi gewezen op de ideeën die [zus 1] , volgens de verdediging op grond van de aantekeningen van [journalist 4] (hierna: [journalist 4] ) en de achterbankgesprekken van [slachtoffer 3] , heeft ontwikkeld over de rol van verdachte bij de mislukte aanslagen en de daadwerkelijke moord op [slachtoffer 1] . Ook heeft de verdediging gewezen op de invloed die [zus 1] op [zus 2] had en op de dreiging voor het sociale en financiële bestaan, die volgens de verdediging voor [zus 1] als advocate zou ontstaan, als het onderzoek Goudsnip en haar omgang met [naam 27] (hierna: [naam 27] ) zouden uitkomen. Dan zou blijken dat, anders dan waar zij zich op voorstond, zij geen afstand van het criminele milieu had weten te houden en zich niet in de bovenwereld bevond.
‘Judas’en
’Dagboek van een getuige’en het verloop van de verhoren van [zus 1] bij de rechter-commissaris en ter terechtzitting, een aaneenschakeling van DSM-5 criteria laten zien die tot de diagnose PTSS kunnen leiden. Voorts heeft de verdediging een aantal voorbeelden gegeven waaruit zou blijken dat de belevingswereld van [zus 1] gedomineerd wordt door achterdocht, wantrouwen, angst en complotdenken.
De rechtbank begrijpt uit het verzoek dat er volgens de verdediging aan de duiding van de geluidsopnames, met name beschouwd in het licht van de verklaringen van [zus 1] daarover, zoveel haken en ogen zitten dat de inhoud niet als bewijs kan dienen voor de strafbare feiten die aan verdachte ten laste zijn gelegd. Wat die haken en ogen zijn, heeft de verdediging aan de hand van door haar gekozen voorbeelden -kort gezegd- als volgt uitgelegd.
framen. De verklaring van [zus 1] over de manier waarop zij de gesprekken heeft opgenomen, met meerdere apparaten tegelijk, is niet geloofwaardig; zij heeft bewust delen van gesprekken achtergehouden. De opnames betreffen gesprekken die gevoerd zijn op slechts enkele dagen in een langere periode en geven dus een zeer beperkt beeld van het leven van verdachte.
Geluidsopnames niet allemaal gelijktijdig overgelegd
Meerdere geluidsopnames van hetzelfde gesprek
voice-sturing van het apparaat, of aan het feit dat zij niet altijd in de gelegenheid was om elk apparaat (gelijktijdig) in werking te zetten. Het kwam ook voor dat een apparaat niet goed had gewerkt zonder een voor haar aanwijsbare oorzaak. [49]
heeft op 19 mei 2015 drie geluidsopnames overgelegd aan de officier van justitie mr. Tammes, genaamd: ‘8 november 2013 deal met justitie’ [50] , ‘Als ze praat over [slachtoffer 1] heb ze een probleem’ [51] en ‘Mensen die zo doen praten met de politie.wav’ [52] .
Weliswaar heeft [zus 1] ontkend dat zij met opzet bepaalde gedeelten van het gesprek heeft achtergehouden, toch lijkt het er op dat zij heeft willen voorkomen dat deze delen van het gesprek eerder bekend werden. [54] Op het moment dat de drie fragmenten door [zus 1] werden verstrekt, was nog niet bekend dat het losgeld van de ontvoering van [persoon 1] en [persoon 2] onder meer was geïnvesteerd in prostitutiepanden aan de Achterdam in Alkmaar, die in bezit waren van [slachtoffer 1] toen hij stierf. Het afgesloten strafrechtelijke onderzoek tegen [zus 2] naar de erfenis van [slachtoffer 1] zou bij nieuwe informatie heropend kunnen worden. Dat de opname van het gehele gesprek door [zus 1] is overgelegd nadat [zus 2] ook over de Achterdam, als onderdeel van de erfenis van [slachtoffer 1] , een verklaring had afgelegd, en zij in verband daarmee een strafbeschikking van het openbaar ministerie had aanvaard, lijkt te bevestigen dat [zus 1] in eerste instantie heeft willen voorkomen dat informatie over de Achterdam bekend zou worden.
Overige op- en aanmerkingen van de verdediging
.Daarbij had verdachte dat schietgebaar gemaakt. Verdachte zei: “Net als ik zijn vader heb laten liggen!”.
heeft ook verklaard dat hij van een andere persoon had gehoord dat [naam 31] ‘een miljoen’ wilde en dat ‘ze’ er hier in Nederland tien (de rechtbank begrijpt: miljoen) van hebben gemaakt. Toen [getuige 1] had gevraagd wie dat regelde, was de naam [verdachte] gevallen. [getuige 1] had dit niet tegen [slachtoffer 4] gezegd. [getuige 1] had ook van een contact, waarvan hij evenmin de naam wil noemen, gehoord dat [naam 31] een half miljoen had ontvangen en verdachte acht miljoen zelf had gehouden. [slachtoffer 4] heeft [getuige 1] bevestigd dat er tien miljoen was betaald en dat het probleem was opgelost. Aldus de verklaring van [getuige 1] . [67]
Evenmin kan uit het telefoontje van [naam 32] naar [naam 35] (hierna: [naam 35] ) van de CI(E) op 8 december 2000 blijken dat [naam 33] daadwerkelijk contact heeft gehad met [naam 31] in het kader van de miljoenen die [slachtoffer 4] aan [naam 31] zou moeten betalen. Evenmin kan worden vastgesteld wat er waar is van zijn mededeling aan [naam 35] dat ‘de poedel’ (de rechtbank begrijpt: [naam 31] ) in de stad was. Bovendien heeft [naam 32] tegen [naam 35] gezegd dat “ [naam 3] en [naam 21] ” onderhandelden en “natuurlijk geld proberen te pakken”. [73]
Contact met [zus 1]
[zus 1] weet wat verdachte heeft gedaan
Uit het verloop van dit gesprek wordt duidelijk dat [zus 1] verder geen uitleg nodig had om te begrijpen wat verdachte bedoelde met “praten over [slachtoffer 1] ”, het “meteen gaan oplossen” en met “ze weet toch hoe hij is”. [82] Zowel [zus 1] [83] als [zus 2] [84] hebben verklaard dat verdachte hiermee bedoelde dat verdachte [zus 2] zou laten vermoorden als hij erachter kwam dat zij bij de politie praatte over de betrokkenheid van verdachte bij de moord op [slachtoffer 1] . Naar het oordeel van de rechtbank vinden deze verklaringen steun in andere onderzoeksbevindingen, waaruit de betrokkenheid van verdachte bij die moord blijkt. De rechtbank acht de verklaring van verdachte, dat hij bedoelde dat [zus 2] niet mocht praten over de bankovervallen waarbij hij en [slachtoffer 1] ruim 36 jaar geleden betrokken waren geweest, in dat licht niet geloofwaardig. [85]
Crimesitestond dat [naam 3] of zijn advocaat iets zou gaan zeggen, blijkt dat verdachte aan [zus 1] weinig hoefde uit te leggen. Verdachte en [zus 1] bespraken dat het op een bekentenis neerkwam als [naam 3] zou gaan praten. Verder vertelde [zus 1] aan verdachte dat hij nu, met de verklaringen van [naam 5] , niet zou worden aangehouden door justitie en dat dat volgens haar pas zou gebeuren als justitie er wat bij had gevonden. Verdachte zei tegen haar: “Ja dan wel”. Verdachte en [zus 1] hoefden niet specifiek te benoemen en niet nader te bespreken wat [naam 3] dan zou bekennen, evenmin waarom verdachte zou worden aangehouden als er wat bij kwam. [86] Gelet op het verloop van dit gesprek snijdt naar het oordeel van de rechtbank de verklaring van [zus 1] , dat verdachte en zij weten wat hij heeft gedaan en vanuit die veronderstelling met elkaar praten, hout.
Gebaren door verdachte
Fluisteren
’, is te horen dat verdachte tegen [zus 1] ging fluisteren toen hij deze woorden sprak. Verdachte fluisterde ook, hoorbaar en nog verstaanbaar toen hij in minuut 6 de woorden uitsprak: “Je moet tegen haar zeggen, als ze praat over [slachtoffer 1] hè, heb ze een probleem”. Daarvoor zei hij op normale toon: “Ik moet je dit zeggen”, en daarna: “Echt een viezerik is het”.
Afluisteren
Mappen met publicaties
.
In Kolbak hebben de rechtspsychologen Crombag en Wagenaar in hun deskundigenrapport terecht kritische kanttekeningen geplaatst bij de betrouwbaarheid en bruikbaarheid van de achterbankgesprekken. Deze gesprekken kunnen dan ook slechts dienen als ondersteunend bewijs.
tandpunt officieren van justitie
Losgeld van de ontvoering van [persoon 1] en [persoon 2] in 1983
Geld van verdachte na de verdeling in 1996
Geld voor [naam 31]
Kantoorincident, [naam 21] , [naam 3] en [naam 38]
[zus 2] komt naar de Hallen
De proceshouding van [naam 3]
Schieten op rechtbankgebouw bij aanvang Kolbakproces
Verdachte: Maakt mij niks meer uit [zus 1] , m’n broer heb me mijn geld weggegooid.
Verdachte: Ja, maar [zus 1] , het gaat niet meer om aardig vinden. Ik wil niet meer in
Verdachte: Nee, mijn broer heb al die bedrijven (...)
Verdachte: Ik zeg tegen hem, haal effe geld. Ja! Dat kan niet meer. Kan niet meer?
Verdachte: Als ik al die jaren dat ik vast heb gezeten, 6 jaar, gewoon mijn geld had
Verdachte: Had ik het geld gehad. Maar “doe maar niet”, het komt allemaal goed”.
[zus 1] : Mag ik nog effe wat zeggen? Kijk, zoals ik erover denk hè? En zo denk
[zus 1] : Dat is mijn verantwoordelijkheid. Mijn personeel, de mensen die ik.
Verdachte: 100% ik heb voor [broer] gekozen. Ik heb daar gezeten, hij heb niet
[zus 1] : Ja, maar
Verdachte: Ik kon niet meer doen, ik zat vast. (..)
Verdachte: Hè, hij heb elk, hij heeft 12 jaar lang, 10.000 euro per maand gehad. Ja?
[zus 1] : Het is veel complexer.
Verdachte: Kijk, geld drijft iedereen uit elkaar, is met families.
: Nou kijk, in zoverre is het complex dat je weet wat er allemaal gespeeld
Verdachte: Had ik gaan graaien dan had ik geld gehad. Tuurlijk. Doe het niet, je
[zus 1] : Nou weet je wat het is? Het…
[naam 40] : Het was een verloren zaak hè? Dat ben ik met je eens. [120]
Verdachte: Zoekt het maar uit, die [naam 37] . Weet je wat het is? Ik heb ‘m één keer
IV. De tenlastegelegde feiten
- Een grijze BMW, die, zo concludeert de rechtbank, aan [naam 51] toebehoorde, met drie personen erin en met zicht op het kantoor van [slachtoffer 3] en het bankje waarop [naam 48] en een ander zaten, en op de Apollolaan stond geparkeerd;
- De gestolen Mercedes Vito bus, die als observatiebus die dag door [naam 50] van een parkeerkaartje was voorzien en die in een zijstraat vlak bij het kantoor van [slachtoffer 3] was geparkeerd en
- De gestolen blauwe Alfa Romeo, waarin de wapens en de jas zijn aangetroffen.
Ook nadat de artikelen van [journalist 4] over [slachtoffer 4] op 27 en 28 augustus 2002 in dagblad
De Telegraafwaren verschenen, is verdachte, weliswaar buiten het zicht van de media, contact met [slachtoffer 3] blijven onderhouden om op de hoogte te blijven van de stand van zaken met betrekking tot zijn investeringen. Verdachte wilde enerzijds graag zijn geld terug hebben van [slachtoffer 3] , maar anderzijds had verdachte er naar zijn zeggen begrip voor dat [slachtoffer 3] hem pas kon uitbetalen als [slachtoffer 3] de problemen met andere criminele investeerders en de banken had opgelost. Verdachte heeft nooit de indruk gehad dat hij zijn investering bij [slachtoffer 3] niet terug zou krijgen. Dat werd hem pas duidelijk nadat [slachtoffer 3] was overleden, stelt hij.
Ook ter zitting in Vandros heeft verdachte verklaard dat hij [slachtoffer 3] niet heeft afgeperst. [145] Verdachte heeft nogmaals gewezen op de rol van [slachtoffer 4] , die samen met [slachtoffer 3] verdachte ten onrechte als afperser heeft neergezet. [slachtoffer 3] heeft in de achterbankgesprekken steeds de naam van verdachte genoemd als hij [slachtoffer 4] bedoelde. [146]
De Telegraaf, heeft [naam 21] tijdens een ontmoeting waar verdachte ook bij was (in het Beatrixpark te Amsterdam) tegen [slachtoffer 3] gezegd dat hij die tien miljoen gulden snel terug wilde hebben. [147]
De verdediging heeft verder niet duidelijk gemaakt om welke reden de overige feiten en omstandigheden die hij in dit verband naar voren heeft gebracht het gerechtshof tot een vrijspraak van de afpersing van [slachtoffer 3] zouden hebben moeten brengen.
Verdachte heeft in Vandros gesteld, maar op geen enkele manier onderbouwd, dat hij acht miljoen gulden bij [slachtoffer 3] had geïnvesteerd. Ook vragen over de projecten, rendementen en afspraken met [slachtoffer 3] , met betrekking tot deze gestelde investering, kan verdachte niet adequaat beantwoorden. [148] Ook zijn verklaring over de investering die [naam 21] bij [slachtoffer 3] zou hebben gedaan heeft verdachte niet onderbouwd. [naam 21] en [slachtoffer 3] leven niet meer en hebben daar zelf niets over verklaard.
Nu verdachte pas jaren na zijn veroordeling in Kolbak, eerst in het onderzoek Vandros met deze verklaringen komt, kan hieraan, zonder enige onderbouwing, geen waarde worden gehecht. Daar komt nog bij dat het onderzoek Vandros onder meer de volgende informatie heeft opgeleverd die de veroordeling van verdachte voor de afpersing van [slachtoffer 3] juist bevestigen.
[verdachte] :(… ) Maar ze vinden het prachtig. Ze lezen 18 miljoen, enneh al die beschuldigingen.
[zus 1] : Ik ben benieuwd wat dat financiële dan inhoudt. Hm?
[verdachte] : Ja het staat er goed, alleen weet je wat het is, als ik geen geld heb, als alles in beslag
[zus 1] : Ja. En dat elke keer alles in beslag genomen wórdt.
[verdachte] : Ja dat is ook gunstig dat dat erin staat, begrijp je wat ik bedoel? Want die [naam 3] heb
[verdachte] : Ja, nou, hij zou dat allemaal regelen allemaal. Hij heb dat toen gestolen. Hij heb mij
(…)
[verdachte] : Ik heb al die mensen al gesproken As, zo doe ík dat [ntv] en die mensen [ntv]
Verdachte heeft over dit gesprek verklaard [156] dat hij [zus 1] vertelt dat [naam 3] de naam van verdachte heeft misbruikt in Passage, door te zeggen dat verdachte [slachtoffer 3] heeft afgeperst. Daar waar verdachte tegen [zus 1] zegt: “Ja, nou, hij zou dat allemaal regelen allemaal. Hij heb dat toen gestolen. Hij heb mij geprobeerd erin te douwen, levenslang en dan had hij het geld, zó heb ie het gespeeld. Nou, dat heb ik natuurlijk overal neergelegd…iedereen weet het.”, spreekt verdachte niet over [naam 3] , maar over [slachtoffer 3] , die de investering van verdachte niet heeft terugbetaald en verdachte levenslang heeft proberen te geven, door in de achterbankgesprekken bij de politie het verhaal neer te leggen dat verdachte liquidaties op zijn geweten had. Verdachte is na zijn vrijlating in 2012 naar andere criminelen gegaan die ook geld van [slachtoffer 3] tegoed hadden, om duidelijk te maken dat verdachte geen geld van [slachtoffer 3] had.
De rechtbank begrijpt het hiervoor weergegeven gespreksfragment dan ook zoals door [zus 1] is uitgelegd.
Verklaringen [ex-partner] , [zus 2] en [zus 1]
Verdachte op geluidsopnames
naam genoemd van zoon [zus 2]),
(naam genoemd van dochter [zus 2] ),zullen niet ÉÉN EURO ervan krijgen...echt waar, ik ben echt klaar met ze. Dan zal ik eens een klap in het donker uitdelen. Ik ben er klaar mee.
(naam zoon verdachte),als ze te ver gaat. Dan krijgt ze hem hehè. Dan is het gewoon klaar hehè. OVER einde verhaal.
naam genoemd van zoon [zus 2]) als eerste dood! Wat zij wil.
fluistert) [slachtoffer 3] heb me ook willen pikken, daarom (ntv)
fluistert:) Daarom heb ik het gedaan. (normaal, luid volume:) (…) Weet je wat het is [zus 1] ? Ik ken er niet mee leven. Ik ken hier niet mee leven, dit is nog erger dan erg! Mijn eigen zus die liegt voor geld. (…) [zus 1] luister: Ik sla haar hartstikke dood hier, ik sla haar door de bosjes heen, ik sla haar echt de tanden eruit alles. Ik breek haar neus, ik breek haar kaak, ik ben echt door het dolle.
Contacten opdrachtgever(s) en dadergroep
Personen uit de dadergroep die wijzen naar verdachte
Verweren
heeft zwaargewond de hal van zijn woning weten te bereiken, maar is daar aan zijn verwondingen bezweken.
De veroordeling in Kolbak
- in de periode van 1 januari 2004 tot en met 2 november 2005 in Nederland deelnemen aan een criminele organisatie bestaande uit verdachte, [naam 68] (hierna: [naam 68] ), [naam 69] (hierna: [naam 69] ) en één of meer anderen, die tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten de afpersing van [slachtoffer 5] , bedreiging van [slachtoffer 5] met de dood en zware mishandeling en witwassen van vermogen, afkomstig van de afpersing van [slachtoffer 5] . Verdachte heeft een leidende rol gehad binnen die organisatie.
- in de periode van 1 augustus 2004 tot en met 1 oktober 2004, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk zichzelf en/of anderen te bevoordelen, door dreiging met geweld [slachtoffer 5] dwingen tot afgifte van ongeveer 1.000.000 euro. De bedreiging met geweld heeft hierin bestaan dat verdachte en/of een of meer van zijn mededaders naar de woning van die [slachtoffer 5] zijn gegaan en dreigend tegen die [slachtoffer 5] hebben gezegd dat hij dat geldbedrag moest betalen omdat anders zijn woning zou worden opgeblazen en zijn familieleden zouden worden gedood, en op een voor [slachtoffer 5] dreigende wijze een vuurwapen aan hem is getoond, en dreigend die [slachtoffer 5] hebben toegesproken en die [slachtoffer 5] hebben meegenomen. Hierdoor heeft verdachte en/of een of meer van zijn mededaders een dermate dreigende situatie voor die [slachtoffer 5] gecreëerd en in stand gehouden, dat de vrees van die [slachtoffer 5] voor geweld van de zijde van verdachte en zijn mededaders gerechtvaardigd was.
De rechtbank is desalniettemin van oordeel dat geen twijfel is ontstaan aan de juistheid van de veroordeling van verdachte voor afpersing van 1 miljoen euro van [slachtoffer 5] . De raadsman heeft niet duidelijk gemaakt hoe de verklaring van [slachtoffer 5] , die erop neerkomt dat hij denkt dat de makelaars van de Sloterkade ook worden afgeperst en dat “die schele” achter de moord op [slachtoffer 1] zit, in het licht van de overige bewijsmiddelen die het gerechtshof aan de bewezenverklaring ten grondslag heeft gelegd, afbreuk doet aan die bewezenverklaring. Dat geldt ook voor de verklaring van [naam 71] , dat [slachtoffer 5] niet aan verdachte, maar nog een ‘oud bonnetje’ moest betalen en hij zich niet kan voorstellen dat [slachtoffer 5] bang is voor degene met wie hij nog zo vaak in de kroeg heeft gezeten. Dat geldt zelfs voor de verklaring van [naam 71] dat [slachtoffer 5] ‘zit te liegen’ als deze zegt dat [naam 71] en [slachtoffer 5] panden in de [adres] wilden kopen.
Ook de verklaring van [naam 72] , dat “het anders kan zitten dan de politie denkt”, kan in het licht van de overige bewijsmiddelen zonder nadere toelichting van de raadsman niet tot twijfel aan de afpersing leiden.
.”
Ook deze verklaring van [zus 2] bevestigt nogmaals dat verdachte zich samen met zijn mededaders heeft schuldig gemaakt aan de afpersing van [slachtoffer 5] en daartoe met zijn mededaders een criminele organisatie heeft gevormd, waarvoor verdachte door het gerechtshof Amsterdam is veroordeeld tot negen jaren gevangenisstraf.
Ook tegen [zus 2] heeft verdachte gezegd dat hij had gehoord dat [slachtoffer 5] verdachte wilde laten vermoorden. Hij heeft ook tegen haar gezegd: ‘het was hij of ik’, wat er naar het oordeel van de rechtbank op duidt dat verdachte de hand had in de opdracht tot liquidatie van [slachtoffer 5] .
Daaraan voorafgaand overweegt de rechtbank dat de verklaringen van [naam 2] over verdachte niet op zichzelf staan. Bij de beoordeling daarvan zal de rechtbank betrekken dat de verklaringen van [naam 2] , over de opdracht en de uitvoering van de moord op [slachtoffer 5] door [naam 1] en [naam 2] en de rol van [naam 3] en [naam 4] daarbij, door de rechtbank op de voet van het arrest van 29 juni 2017, betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs worden geacht.
[naam 2] heeft meermalen, ook op 9 oktober 2018 ter terechtzitting in Vandros, verklaard dat [naam 1] hem op die dag heeft meegenomen naar restaurant Het Arsenaal in Naarden-Vesting. Zij reden toen in een auto van het autoverhuurbedrijf
Rent a Wreck. In Het Arsenaal hebben zij verdachte ontmoet. Volgens [naam 2] heeft [journalist 2] zich later bij hen gevoegd. [naam 2] is niet de hele tijd bij het gesprek tussen verdachte en [naam 1] geweest omdat hij [journalist 2] buiten het restaurant tegemoet is gelopen.
Dat [journalist 2] bij meerdere gelegenheden heeft verklaard dat een dergelijke ontmoeting in zijn herinnering niet heeft plaatsgehad, maakt dit niet anders.
[naam 2] is in het najaar van 2005 enkele keren met [naam 1] naar een club/uitgaansgelegenheid in Rotterdam gereden. Gebleken is dat het gaat om de gelegenheid aan de Meent die toen de naam ‘B.E.D.’ had, maar voorheen ‘Baja’ heette. B.E.D. werd daarom ook wel de ‘oude Baja’ of de ‘kleine Baja’ genoemd. Aan de Karel Doormanstraat was inmiddels gevestigd de ‘Baja Beachclub’.
[naam 2] kan zich goed herinneren dat hij vóór de moord op [slachtoffer 5] , ’s nachts met [naam 1] naar Rotterdam was gereden. [naam 1] wilde van [naam 3] en [naam 4] , die in de B.E.D. aanwezig zouden zijn, informatie krijgen over nieuwe tegen betaling te plegen liquidaties. [naam 2] had [naam 1] afgezet bij de B.E.D. en [naam 1] was daar naar binnen gegaan. [naam 2] had op [naam 1] gewacht bij een McDonalds in de buurt. Nadat [naam 1] weer terug gekomen was, had [naam 1] verteld dat hij opdracht voor een liquidatie had gekregen. Verder had [naam 1] verteld dat hij de volgende dag een afspraak met [naam 3] in Diemen had. De volgende dag had [naam 2] [naam 1] naar Diemen gebracht en hem daar afgezet. Nadat [naam 1] weer teruggekomen was, had [naam 1] aan [naam 2] verteld dat hij een ontmoeting met [naam 3] had gehad, waarbij [naam 3] hem het adres en het signalement van het slachtoffer, dat [slachtoffer 5] bleek te zijn, had verteld.
[naam 2] heeft op 2 november 2006 verklaard over een ontmoeting met verdachte op het Gelderlandplein te Amsterdam. [naam 2] en [naam 1] waren daar met de auto toen zij verdachte zagen. [naam 1] is uitgestapt en heeft met verdachte gesproken. [naam 1] heeft tijdens dat gesprek gewezen op [naam 2] , die nog in de auto zat. Toen [naam 2] vervolgens werd gewenkt, is hij uitgestapt en heeft hij verdachte de hand geschud en kort met hem gesproken. Verdachte had tegen [naam 1] en [naam 2] gezegd: “Als deze goed gaat, heb ik nog een andere voor jullie.” [naam 1] had later tegen [naam 2] gezegd dat verdachte had gevraagd met wie [naam 1] de liquidatie op [slachtoffer 5] zou gaan uitvoeren, en toen had [naam 1] op [naam 2] gewezen. Dat [naam 2] wellicht ten onrechte heeft gedacht dat de woorden van verdachte op een liquidatie betrekking hadden, is met de uitleg die [naam 1] aan [naam 2] heeft gegeven voor de ontmoeting tussen verdachte en [naam 2] , onwaarschijnlijk.
Op 3 oktober 2011 heeft [naam 2] ter terechtzitting bij de rechtbank in het Passageproces verklaard dat hij als bestuurder in de Opel Corsa, met [naam 1] en [naam 47] als passagiers, aan de achterkant van het Gelderlandplein reed. Daar zagen zij verdachte. [naam 2] heeft [naam 1] laten uitstappen, waarop [naam 1] naar verdachte is gelopen. [naam 1] heeft op een gegeven moment geknikt naar [naam 2] , waarop verdachte [naam 2] heeft gewenkt. [naam 2] is naar verdachte toe gelopen en heeft hem een hand gegeven. [naam 2] is nog even bij hen blijven staan. Toen hij en [naam 1] terug naar hun auto liepen, heeft verdachte tegen [naam 1] gezegd: “Eerst Osdorp”.
.” en in 2014 de volgorde: “Osdorp eerst
.”herinnert. Voor de suggestie van de verdediging dat [naam 2] zijn eerdere verklaring van 2 november 2006, dat verdachte op het Groot Gelderlandplein had gezegd “Als deze goed gaat heb ik nog een andere voor jullie.”, vanwege zijn problemen met het Team Getuigenbescherming op 3 oktober 2011 heeft aangepast naar de woorden: “Eerst Osdorp.”, bestaat geen grond in het onderzoek Vandros. [naam 2] had immers al op 2 november 2006 verklaard over het verband tussen de woorden van verdachte op het Gelderlandplein en de opdracht voor de moord op [slachtoffer 5] . Niet valt in te zien dat het verband in de verklaring van [naam 2] sterker is geworden door de woorden: ‘Eerst Osdorp.’
In het licht van wat inmiddels is gebleken over de verhouding tussen [naam 2] en [naam 1] en het contact tussen [naam 1] en verdachte, kan van dit onderdeel van de verklaring van [naam 2] niet gezegd worden dat het uit de lucht gegrepen is.
Anders dan de verdediging heeft betoogd, heeft Q5 niet alleen van horen zeggen dat verdachte betrokken was bij het besluit om personen te liquideren. Evenmin blijkt uit de verklaringen van Q5 dat louter [naam 3] verdachte heeft geïnformeerd dat [naam 3] ‘drie, vier man gaat pakken’. Q5 heeft immers verklaard dat verdachte zich ook in dergelijke termen tegen [naam 3] heeft uitgelaten. De rechtbank vindt het in dit verband opvallend dat verdachte ter terechtzitting van 7 september 2018 heeft bevestigd dat hij mogelijkerwijs zulke woorden in de Baja Beachclub tegenover [naam 3] heeft gebruikt, ook al plaatst verdachte zelf die woorden in de betekenis van het veroveren ('pakken') van vrouwen.
Deze stelling van verdachte wordt ook weerlegd door de bewijsmiddelen die de rechtbank relevant acht. Die betreffen immers grotendeels verklaringen van getuigen die verklaren over wat zij met verdachte hebben meegemaakt.
De veroordeling Kolbak
Ook uit de verklaringen van [zus 1] en [zus 2] blijkt dat verdachte boos was op [slachtoffer 6] . [zus 1] heeft van verdachte gehoord dat [slachtoffer 6] er ook ‘aan zou gaan’. [slachtoffer 6] zat immers in het kamp van [slachtoffer 5] , en hielp [slachtoffer 5] met de verbouwing van panden. [slachtoffer 6] had het bovendien ook op het leven van verdachte voorzien. Voordat verdachte vast kwam te zitten in januari 2006 had hij [zus 1] verteld dat [slachtoffer 6] vervelend was omdat hij met verdachte ruzie maakte over de erfenis van [slachtoffer 1] . Verdachte had haar toen ook gezegd dat [slachtoffer 6] met de politie sprak. [zus 2] heeft verklaard dat zij van verdachte naar café De Hallen moest komen om tegen [slachtoffer 6] te zeggen dat verdachte de erfenis van [slachtoffer 1] niet had. Het ergerde verdachte dat [slachtoffer 6] dit tegen anderen zei.
[zus 1] heeft daarnaast meermalen van verdachte gehoord dat verdachte opdracht heeft gegeven voor de moord op [slachtoffer 6] . Onder meer toen verdachte in het voorjaar van 2013 problemen had met [journalist 2] , had zij nog van verdachte gehoord dat hij, voordat hij vast kwam te zitten in januari 2006, de opdracht om [slachtoffer 6] te vermoorden al had gegeven. Zij heeft opnames van gesprekken overgelegd waarop te horen is dat zij met verdachte over de moord op [slachtoffer 6] spreekt. Op de opnames is niet te horen dat verdachte daar niets mee te maken had.
[zus 2] heeft verklaard dat verdachte haar voor de dood van [slachtoffer 6] om een foto van [slachtoffer 6] had gevraagd. Die had zij verdachte toen gegeven. Toen [slachtoffer 6] was doodgeschoten had verdachte haar gevraagd of [zus 1] kon nagaan of die foto was gevonden. Ook daaruit heeft [zus 2] geconcludeerd dat verdachte betrokken was bij de dood van [slachtoffer 6] .
[slachtoffer 6] heeft ook op 3 november 2005 verklaard dat eerst [slachtoffer 5] en daarna hijzelf het op het leven van verdachte hadden gemunt. [208]
In dit gesprek is niet alleen te horen dat verdachte acht keer aan [zus 1] vraagt of zij denkt dat hij wordt aangehouden naar aanleiding van de verklaringen van [naam 5] , maar ook is te horen dat, als verdachte na minuut 16 voor de derde keer aan [zus 1] vraagt of hij wordt aangehouden, [zus 1] zegt: “Nee. Misschien ooit als ze er wat bij vinden.” Verdachte zegt vervolgens: “Ja, dan wel.”
heeft hierover verklaard dat zij dat ziet als een bekentenis van verdachte, dat hij heeft gedaan waarvoor hij bang was te zullen worden aangehouden. De rechtbank is van oordeel dat deze zinsnede in het licht van wat is gebleken over de inhoud van de verklaringen van [naam 5] betreffende verdachte in samenhang met de vertrouwelijke verhouding tussen [zus 1] en verdachte, moeilijk anders begrepen kan worden.
Ook voor deze beoordeling geldt wat de rechtbank (hierboven onder c) heeft overwogen met betrekking tot de verklaringen [naam 2] over de moord op [slachtoffer 5] .
De verhouding tussen verdachte en [naam 3] , zoals daar weergegeven, is voor de beoordeling van de uitlokking van de moord op [slachtoffer 6] van zwaarwegend belang. Immers, de gesprekken in september 2014 tussen [zus 1] en verdachte, naar aanleiding van de verklaringen van [naam 5] , gaan met zoveel woorden over de moord op [slachtoffer 6] , die [naam 3] en verdachte elkaar blijkbaar in de schoenen wilden schuiven.
Volgens getuigen was de schutter afgestapt van een motor die iets verderop stil stond. Nadat de schutter kogels op [slachtoffer 4] had afgevuurd, stapte hij weer achter op de motor. De motor reed, met de schutter als passagier, weg in de richting van de Reguliersgracht.
Verder is uit de verklaring van [naam 78] (hierna: [naam 78] ), een vriend van [slachtoffer 4] , gebleken dat [slachtoffer 4] met [slachtoffer 5] plannen maakte om verdachte, en ook [naam 21] en [naam 3] , van het leven te beroven.
coverop te houden, te doen alsof hij het erg vond. Verdachte had haar ook verteld dat het de bedoeling was dat [slachtoffer 4] het geld dat hij, [slachtoffer 4] , bij [slachtoffer 3] had geïnvesteerd, niet terug zou krijgen. Verdachte had ook tegen [zus 1] over [naam 21] gesproken en haar verteld dat hij met [naam 21] samenwerkte. Later, zo had zij van verdachte gehoord, had verdachte grote problemen met [slachtoffer 4] gekregen; verdachte vreesde voor zijn leven, andersom had hij het op [slachtoffer 4] voorzien.
is doodgeschoten door een man die als passagier op een motor naar het bouwproject was toegereden. Gebleken is dat de bestuurder van de motor en de schutter zich kort voor de liquidatie hebben opgehouden bij een eettentje langs de kant van de weg, in de buurt van het bouwproject. Volgens de eigenaar van het eettentje was de bestuurder van de motor een Thai, maar de passagier zeker niet. De passagier was groter dan de bestuurder, en zijn huid had de kleur van iemand uit Israël of van een lichtgekleurde Indiër.
In de auto van [naam 50] , de neef van [naam 49] die ook behoort tot de groep rond [naam 48] en betrokken was bij de moord op [slachtoffer 3] , bevonden zich volgens de getuige [getuige 3] kort na de moord op [slachtoffer 4] papieren met het reisschema van de reis van [naam 49] naar Thailand. Het was de getuige opgevallen dat die reis had plaatsgevonden precies rond de moord op [slachtoffer 4] . Gezien wat zij inmiddels te weten was gekomen over het criminele leven van [naam 50] , en de reactie van [naam 50] toen zij hem met het reisschema confronteerde, had zij meteen het verband gelegd met die moord.
Daarnaast is uit het onderzoek naar de moord op [slachtoffer 5] , die op dezelfde dag plaatsvond als de moord op [slachtoffer 4] , en het onderzoek naar de moord op [slachtoffer 6] , gebleken van een samenwerking tussen [naam 3] , [naam 4] en verdachte bij de uitlokking van die moorden. Die samenwerking acht de rechtbank evenzo relevant voor de uitlokking van de moord op [slachtoffer 4] .
Uit de door de rechtbank relevant geachte bewijsmiddelen blijkt dat dit niet het geval is. De getuigen [ex-partner] , [zus 2] en [zus 1] , [slachtoffer 3] en Q5, hebben allen verklaard over wat zij rechtstreeks van verdachte hebben gehoord en met verdachte hebben meegemaakt. De getuigen [journalist 2] en [zus 2] hebben verklaard over wat zij van [slachtoffer 1] hebben gehoord over verdachte. De zoon van [slachtoffer 4] heeft verklaard over wat hij van [slachtoffer 3] heeft gehoord over verdachte.
Alleen van wat [naam 8] en [naam 78] hebben verklaard kan worden gezegd dat zij dat (deels) van [slachtoffer 4] hebben gehoord. De rechtbank ziet geen reden om hieraan geen bewijswaarde te hechten, omdat hun verklaringen weer worden gesteund door andere relevante bewijsmiddelen uit het onderzoek Vandros. De door [naam 8] in 2005 afgelegde verklaringen over hoe [slachtoffer 4] dacht over verdachte, [naam 3] en [naam 21] worden bevestigd door de verklaring van [naam 80] (hierna: [naam 80] ), die ook heeft verklaard dat hij van [naam 8] had gehoord dat zij de vijanden van [slachtoffer 4] waren. [naam 80] heeft ook bevestigd dat [slachtoffer 4] verdachte zag als de opdrachtgever van de aanslag op 26 februari 2002.
5. Bewezenverklaring
- aanwijzingen voor de uitvoering van die moord gegeven;
€ 300,-
[benadeelde partij 2]aanwezig is geweest bij de moord op haar echtgenoot. Deze is voor haar ogen beschoten, zwaargewond de echtelijke woning in gevallen en in haar armen overleden. Uit het rapport van 1 februari 2012 van psychiater [psychiater 3] blijkt genoegzaam dat zij sindsdien en als gevolg daarvan kampt met een PTSS. Aan de eisen voor vergoeding van shockschade aan [benadeelde partij 2] is daarmee voldaan.
[benadeelde partij 4], die de moord op haar vader, net als haar moeder, van nabij heeft meegemaakt.
[benadeelde partij 7]kort na de moord naar de plaats van het delict is gegaan, dat zij daar is geconfronteerd met de politieafzetting en dat haar daar ter plekke door een familielid is verteld dat haar vader is doodgeschoten. Zij heeft het lichaam van haar vader, gelet op de afzetting, niet kunnen waarnemen.
[benadeelde partij 5]geldt dat gesteld is dat zij kort na de moord door een familielid is gebeld en naar de plek van de moord is gegaan. Daar is zij opgevangen door de politie; zij heeft haar man toen en daar niet kunnen zien. Vier dagen later werd zij met zijn verwonde lichaam geconfronteerd en zij heeft haar werkzaamheden in haar café, en dus op de plaats van het delict, na de uitvaart weer moeten hervatten.
[benadeelde partij 7]is toewijsbaar tot het totaal van de aangekruiste bedragen op de bij het verzoek tot schadevergoeding gevoegde bijlagen 1 t/m 3: € 200 + € 7,40 + € 7,22 + € 7,22 + € 8,14 + € 0,94 + € 2,84 = totaal € 233,76.
[benadeelde partij 8]dat vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder zaak A, feit 2, eerste cumulatief bewezen geachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden. De door de benadeelde partij gevorderde, met de begrafenis van [slachtoffer 6] samenhangende, kosten vallen naar hun aard binnen de reikwijdte van de kosten van de lijkbezorging, zodat deze -mits in redelijkheid gemaakt- voor toewijzing in aanmerking komen.
€ 3.081,-
levenslange gevangenisstraf.
[slachtoffer 7/benadeelde partij 1]toe tot het bedrag van
[benadeelde partij 2]toe tot het bedrag van
€ 10.000,- (tienduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf
[benadeelde partij 3]toe tot het bedrag van
€ 10.000,- (tienduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 2 november 2005 tot aan de dag van de algehele voldoening.
[benadeelde partij 4]toe tot het bedrag van
€ 10.000,- (tienduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 2 november 2005 tot aan de dag van de algehele voldoening.
[benadeelde partij 7]toe tot het bedrag van
€ 233,76 (tweehonderddrieëndertig euro en zesenzeventig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 5 november 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening.
[benadeelde partij 8]toe tot het bedrag van
[benadeelde partij 5]niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat zij de vordering slechts kan aanbrengen bij de burgerlijke rechter.
[benadeelde partij 6]niet-ontvankelijk in zijn vordering en bepaalt dat hij de vordering slechts kan aanbrengen bij de burgerlijke rechter.