Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.De procedure
- het verzoekschrift ex artikel 202 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv), ingekomen ter griffie van deze rechtbank op 22 maart 2019, met producties 1 tot en met 23,
- de nadere productie 24 van de zijde van Steder Group c.s.,
- de beschikking van 25 april 2019 waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,
- de producties 1 tot en met 51 van de zijde van DS Beheer,
- het verweerschrift, ingekomen ter griffie van deze rechtbank op 26 juni 2019,
- het faxbericht van 27 juni 2019 van de zijde van Steder Group c.s. met het verzoek om aanhouding van de mondelinge behandeling dan wel om intrekking van het verzoekschrift,
- de e-mail van deze rechtbank van 27 juni 2019 met de mededeling aan partijen dat het verzoek in overleg met mr. M.C.V. Dornstedt administratief wordt afgeboekt,
- de e-mail van 27 juni 2019 zijdens Steder Group c.s. waarin het verzoek om proceskostenveroordeling wordt gehandhaafd,
- de brief van 27 juni 2019 van Steder Group c.s. waarin verweer is gevoerd tegen de gevraagde proceskostenveroordeling,
- de brief van deze rechtbank van 8 juli 2019 waarin staat dat het verzoek van DS Beheer om proceskostenveroordeling wordt opgevat als een verzoek om hervatting van de procedure, de zaak conform het subsidiaire verzoek van Steder Group c.s. als ingetrokken