ECLI:NL:RBAMS:2019:4920

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
9 juli 2019
Publicatiedatum
10 juli 2019
Zaaknummer
13/751389-19
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 326 SrArt. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering Europees aanhoudingsbevel Polen wegens oplichting

De rechtbank Amsterdam behandelde op 9 juli 2019 de vordering tot overlevering van een opgeëiste persoon aan Polen op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de rechtbank in Lublin. De opgeëiste persoon wordt verdacht van het gebruik van valse werkgeversverklaringen om leningen te verkrijgen, waarvoor hij in Polen een gevangenisstraf van één jaar en vier maanden moet ondergaan.

Tijdens de openbare zitting op 25 juni 2019 werd de identiteit van de opgeëiste persoon vastgesteld en werd hij bijgestaan door een raadsman en een Poolse tolk. De verdediging voerde aan dat de feiten niet dubbel strafbaar waren in Nederland, stellende dat het om een civielrechtelijke wanprestatie ging. De rechtbank oordeelde echter dat de feiten kwalificeren als oplichting, een strafbaar feit onder Nederlands recht, en verwierp het verweer.

De rechtbank concludeerde dat het EAB voldoet aan de wettelijke eisen en dat geen weigeringsgronden aanwezig zijn. Op grond hiervan werd de overlevering toegestaan voor de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf op het grondgebied van Polen. Tegen deze beslissing staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Polen toe voor de uitvoering van een gevangenisstraf wegens oplichting.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751389-19
RK nummer: 19/2792
Datum uitspraak: 9 juli 2019
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet Pro (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 7 mei 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 29 mei 2018 door
the Circuit Court in Lublin(Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste peroon],
geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1983,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in het [plaats detentie],
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 25 juni 2019. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Diependaal. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. M. Broere, advocaat te Roosendaal en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een
judgment of the District Court in Radzyń Podlaski(Polen) van 29 augustus 2012 (referentie: II K 1467/11).
Uit het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot dit vonnis heeft geleid.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en vier maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4.Strafbaarheid; feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De raadsman stelt zich op het standpunt dat de feiten niet dubbel strafbaar zijn. De feiten kunnen civielrechtelijk worden gekwalificeerd als een wanprestatie. De raadsman wijst op een arrest van de Hoge Raad van 13 november 2001 (ECLI:NL:HR:2001:AD4320).
De rechtbank is - met de officier van justitie - van oordeel dat is voldaan aan het vereiste van dubbele strafbaarheid. Uit onderdeel E) van het EAB blijkt immers dat de opgeëiste persoon op twee momenten een valse werkgeversverklaring/arbeidsovereenkomst heeft gebruikt om een lening te verkrijgen. Deze feiten kunnen naar Nederlands recht worden gekwalificeerd als ‘oplichting’. Het verweer wordt verworpen.

5.Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

6.Toepasselijke wetsbepalingen

Artikelen 326 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW.

7.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste peroon]aan
the Circuit Court in Lublin(Polen) ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, wegens de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.
Aldus gedaan door
mr. A.K. Glerum, voorzitter,
mrs. E. de Rooij en M. van Mourik, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. N.M. van Trijp, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 9 juli 2019.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.