Eiseres diende een aanvraag in voor een omgevingsvergunning ter legalisatie van installaties en afvoerpijpen aan de achterzijde en op de daken van haar panden aan een adres in Amsterdam. Het college verleende aanvankelijk de vergunning, maar na bezwaar van omwonenden werd deze vergunning herroepen en alsnog geweigerd omdat de installaties de toegestane bouwhoogte volgens het bestemmingsplan overschrijden.
Het bestemmingsplan 'Museumkwartier en Valeriusbuurt' stelt een maximale bouwhoogte van 3 meter, terwijl de installaties op de uitbouwen respectievelijk 1,37 en 1,78 meter overschrijden. Het college baseerde zich op beleidsregel 9 van het beleid 'Omgevingsvergunning A2', die afwijking van het bestemmingsplan slechts toestaat indien inpandige plaatsing van installaties aantoonbaar niet mogelijk is. Eiseres stelde dat inpandige plaatsing praktisch en financieel onhaalbaar is, maar erkende dat technisch gezien inpandige plaatsing mogelijk is.
De rechtbank oordeelde dat het college terecht vasthield aan het beleid, omdat 'niet mogelijk' niet gelijkstaat aan 'slechts mogelijk met ingrijpende en kostbare verbouwing'. Eiseres kon geen bijzondere omstandigheden aantonen die een afwijking van het beleid rechtvaardigen. Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel werd verworpen, omdat geen toezeggingen waren gedaan die een gerechtvaardigd vertrouwen konden wekken.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde daarmee de weigering van de omgevingsvergunning wegens strijd met het bestemmingsplan. Er werd geen aanleiding gezien voor proceskostenveroordeling of vergoeding van griffierecht.