ECLI:NL:RBAMS:2019:5316

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
22 juli 2019
Publicatiedatum
19 juli 2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 5616
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:15 AwbArt. 121 WschwArt. 131 Wschw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak op bezwaar waterschapsbelasting wegens prematuur besluit WOZ-waarde

Eiser maakte bezwaar tegen een gecombineerde aanslag waterschapsbelasting 2017 voor twee woningen. Verweerder deed op 3 augustus 2018 uitspraak op bezwaar voor één woning, waarbij het bezwaar gegrond werd verklaard en de aanslag werd verminderd. Voor de andere woning was nog geen uitspraak op bezwaar gedaan vanwege een lopende beroepsprocedure over de WOZ-beschikking.

Eiser stelde beroep in tegen de uitspraak op bezwaar, stellende dat deze prematuur was gedaan omdat de WOZ-waarde nog niet onherroepelijk vaststond, en dat verweerder de proceskosten in bezwaar had moeten vergoeden. De rechtbank overwoog dat op grond van artikel 131 van Pro de Waterschapswet de uitspraak op bezwaar tegen de aanslag waterschapsbelasting pas mag worden gedaan nadat de WOZ-waarde onherroepelijk is vastgesteld.

Omdat verweerder de uitspraak op bezwaar deed voordat de WOZ-beschikking onherroepelijk was, oordeelde de rechtbank dat deze uitspraak moest worden vernietigd. De rechtbank wees ook het verzoek om proceskostenvergoeding toe, maar overwoog dat een proceskostenvergoeding alleen verschuldigd is indien het bestuursorgaan een aan hem te wijten onrechtmatigheid heeft begaan. Nu de gegrondverklaring van het bezwaar voortvloeide uit de gewijzigde WOZ-waarde en niet uit een onrechtmatigheid van verweerder, was geen vergoeding verschuldigd voor de bezwaarprocedure zelf. Wel werden de proceskosten van het beroep en het griffierecht aan eiser vergoed.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de prematuur gedane uitspraak op bezwaar en veroordeelt verweerder tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 18/5616

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 juli 2019 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: [naam] ),
en
de heffingsambtenaar van het Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht,verweerder
(gemachtigden: mr. A.J. van Griethuijsen en [naam] ).

Procesverloop

Op 31 mei 2018 heeft verweerder voor de objecten [woning 1] en [woning 2] aan eiser een gecombineerde aanslag waterschapsbelasting 2017 opgelegd van € 110,48.
Op 3 augustus 2018 heeft verweerder uitspraak op bezwaar gedaan voor het object [woning 2] . In deze uitspraak op bezwaar is het bezwaar van eiser gegrond verklaard en de aanslag verminderd naar € 109,21. Voor het object [woning 1] is nog geen uitspraak op bezwaar gedaan vanwege een lopende beroepsprocedure over de onderliggende WOZ-beschikking.
Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 19 april 2019 heeft verweerder de rechtbank meegedeeld dat de aanslag is vernietigd omdat de gemeente Amsterdam de onderliggende WOZ-waarden heeft vernietigd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 mei 2019. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun respectieve gemachtigden.

Overwegingen

Waar gaat deze zaak over?
1. Eiser is het niet eens met de aanslag waterschapsbelasting 2017 die verweerder aan hem heeft opgelegd. Eiser voert in beroep aan dat verweerder prematuur uitspraak op bezwaar heeft gedaan, omdat de WOZ-waarde nog niet onherroepelijk vaststaat. Verder komt hij op tegen de behandeling van zijn bezwaar. Eiser stelt tot slot dat verweerder de proceskosten in bezwaar had moeten vergoeden, omdat het bezwaar gegrond is verklaard.
2. Verweerder betwist dat de uitspraak op bezwaar te vroeg is gedaan. Voor een proceskostenvergoeding in bezwaar bestaat volgens verweerder geen aanleiding, omdat geen sprake is van een aan hem te verwijten onrechtmatigheid.
Uitspraak op bezwaar – artikel 131 Waterschapswet Pro
3. De rechtbank overweegt als volgt. Uit artikel 121, eerste lid, onder d, van de Waterschapswet (Wschw) volgt dat voor de watersysteemheffing ter zake van gebouwde onroerende zaken als heffingsmaatstaf geldt de waarde die voor de onroerende zaak wordt bepaald op de voet van de Wet waardering onroerende zaken (de WOZ-waarde). De WOZ-waarde wordt vastgesteld door de heffingsambtenaar van de gemeente. Bezwaren tegen de vastgestelde WOZ-waarde moeten worden ingediend bij de heffingsambtenaar van de gemeente.
4. Verweerder is afnemer van de WOZ-waardegegevens. Dit houdt in dat verweerder enerzijds gebonden is aan een WOZ-beschikking van de gemeente, maar anderzijds lijdelijk is met betrekking tot de totstandkoming daarvan. [1] Dat heeft onder meer tot gevolg dat, als een belanghebbende bezwaar maakt tegen zowel de aanslag waterschapsbelasting als de daaraan ten grondslag liggende WOZ-waarde, de termijn voor de uitspraak op het bezwaar tegen de aanslag waterschapsbelasting van rechtswege wordt opgeschort totdat de WOZ-waardebeschikking onherroepelijk is komen vast te staan. Dit is bepaald in artikel 131 van Pro de Wschw.
5. De Hoge Raad heeft uitgemaakt dat verweerder in dat geval pas uitspraak op het bezwaar mag doen als de WOZ-waarde onherroepelijk vaststaat. Indien verweerder eerder uitspraak op bezwaar doet, moet die uitspraak worden vernietigd:
Artikel 131 van Pro de Waterschapswet strekt ertoe te voorkomen dat afzonderlijke procedures bij de belastingrechter worden gevoerd over feiten en omstandigheden die van belang zijn voor zowel de heffing van de waterschapsomslag als voor de vaststelling van de WOZ-waarde (Kamerstukken II 1996/97, 25 037, nr. 3, blz. 21 en 22 en blz. 26 en 27). In overeenstemming met die strekking moet het artikel aldus worden uitgelegd dat in een geval als het onderhavige, waarin zowel bezwaar is gemaakt tegen een WOZ-beschikking als tegen een aanslag in de waterschapsomslag betreffende de onroerende zaak waarop die beschikking betrekking heeft, op het laatstbedoelde bezwaar eerst uitspraak mag worden gedaan nadat de WOZ-beschikking onherroepelijk is komen vast te staan (vgl. HR 28 juni 2002, nr. 36957, LJN AE4722, BNB 2002/305).Indien de heffingsambtenaar met betrekking tot de waterschapsomslag uitspraak op bezwaar doet voordat de WOZ-beschikking onherroepelijk vaststaat, dient die uitspraak te worden vernietigd, en dient de heffingsambtenaar te wachten met het doen van uitspraak totdat de WOZ-beschikking wel onherroepelijk vaststaat.” [2]
6. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat eiser beroep heeft ingesteld tegen de beslissing over de WOZ-waarde voor het object [woning 2] . Op 3 augustus 2018 was er nog geen uitspraak van deze rechtbank in deze beroepsprocedure (met zaaknummer AMS 18/2577). Verweerder heeft de uitspraak op bezwaar dus gedaan voordat de WOZ-beschikking ten aanzien van het object [woning 2] onherroepelijk vaststond, hetgeen in strijd is met artikel 131 Wschw Pro. Eisers beroep is daarom gegrond en de rechtbank zal de uitspraak op bezwaar vernietigen.
7. Gelet op het bovenstaande komt de rechtbank niet meer toe aan bespreking van de gronden over de behandeling van het bezwaar.
Proceskostenvergoeding bezwaar
8. Met het oog op finale geschilbeslechting ziet de rechtbank nog wel aanleiding een oordeel te geven over eisers beroepsgrond dat verweerder de proceskosten in bezwaar had moeten vergoeden.
9. Artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend worden vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.
10. De rechtbank stelt vast dat eisers gemachtigde een beroepsmatige rechtsbijstandverlener is. Bij een gegrond bezwaar of beroep kan verweerder dus in de proceskosten worden veroordeeld. [3]
11. De rechtbank overweegt dat wanneer in de bezwaarprocedure tegen een aanslag waterschapsbelasting wordt opgekomen tegen de onderliggende WOZ-waarde, de uitspraak op bezwaar van verweerder afhankelijk wordt van de WOZ-beschikking van de gemeente Amsterdam . Verweerder moet zich in de uitspraak op bezwaar immers conformeren aan de WOZ-beschikking (zie overwegingen 3 en 4). Verweerder heeft bij een gewijzigde WOZ-waarde dus geen andere mogelijkheid dan het bezwaar gegrond te verklaren en de aanslag waterschapsbelasting aan te passen overeenkomstig de nieuwe WOZ-waarde. Naar het oordeel van de rechtbank is de gegrondverklaring van het bezwaar in een dergelijk geval niet gelegen in een aan verweerder te wijten onrechtmatigheid. Verweerder is dan geen proceskostenvergoeding voor de bezwaarprocedure verschuldigd. Dit kan slechts anders zijn wanneer het bezwaar ook om andere redenen gegrond is.
Conclusie
12. Het beroep is gegrond. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.024,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 1).
13. De rechtbank bepaalt ook dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar van 3 augustus 2018;
- draagt verweerder op uitspraak op het bezwaar te doen met inachtneming van artikel 131 van Pro de Waterschapswet;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.024,-;
- draagt verweerder op het griffierecht van € 46,- aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Breugem, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Rijs, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2019.
griffier
rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending hiervan hoger beroep worden ingesteld bij de het gerechtshof Amsterdam .
Afschrift verzonden aan partijen op:

Voetnoten

1.Kamerstukken II, 1996/97, 25 037, nr. 3, blz. 11.
2.Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 15 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO0411, overweging 3.3.1.
3.Zie de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 21 december 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:5431.