De rechtbank Amsterdam heeft op 13 september 2019 uitspraak gedaan in een ontmenningszaak tegen veroordeelde, behorende bij een onderliggende strafzaak waarin hij is veroordeeld voor diefstal door twee of meer verenigde personen en medeplegen van witwassen.
De officier van justitie had aanvankelijk een vordering tot ontneming van €1.332,50 ingediend, welke zij tijdens de terechtzitting op 30 augustus 2019 heeft gewijzigd naar €516,67. De rechtbank heeft de vordering beoordeeld aan de hand van het bewijs en de omstandigheden van de onderliggende strafzaak.
De rechtbank heeft vastgesteld dat veroordeelde voordeel heeft genoten uit de verkoop of poging tot verkoop van twee gestolen brillen. Voor het eerste feit, gepleegd met twee anderen, wordt een voordeel van €350,- toegewezen, en voor het tweede feit een voordeel van €133,33, gebaseerd op een pondspondsgewijze verdeling van de waarde van de brillen.
Op grond hiervan legt de rechtbank veroordeelde de verplichting op om €483,33 aan de Staat te betalen als het wederrechtelijk verkregen voordeel. De maatregel is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.