De rechtbank Amsterdam behandelde een verzoek ex artikel 591a Sv van een vennootschap tot vergoeding van kosten van rechtsbijstand en verzoekschriftkosten na een strafzaak die zonder strafoplegging werd geseponeerd. De feitelijk leidinggever van de vennootschap was vrijgesproken, waarna de strafzaak tegen de vennootschap werd geseponeerd.
Het Openbaar Ministerie verzette zich tegen de vergoeding met het argument dat de zaak bewijsbaar was en dat de vennootschap zich schuldig zou hebben gemaakt aan witwassen. De rechtbank oordeelde dat dit niet de juiste maatstaf is voor het toekennen van een vergoeding en dat uit het vonnis tegen een medeverdachte niet volgt dat de vennootschap schuldig was.
Gezien de vrijspraak van de feitelijk leidinggever en het sepot van de zaak achtte de rechtbank gronden van billijkheid aanwezig om de gevraagde vergoeding toe te kennen. De kosten werden onderbouwd met urenspecificaties en declaraties. De rechtbank kende een vergoeding toe van € 10.758,43 voor de raadsman en € 550,00 voor het verzoekschrift.