ECLI:NL:RBAMS:2019:7190
Rechtbank Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Toekenning vergoeding kosten raadsman na onvoorwaardelijk sepot wegens valsheid in geschrift
Verzoekster diende een verzoek in op grond van artikel 591a Sv tot vergoeding van kosten voor haar raadsman, reiskosten en de kosten van het verzoekschrift nadat haar strafzaak onvoorwaardelijk was geseponeerd op 22 november 2018. Het Openbaar Ministerie verzette zich tegen vergoeding, stellende dat de zaak bewijsbaar was en een veroordeling mogelijk was geweest.
De rechtbank oordeelde dat het standpunt van het OM niet de juiste maatstaf is voor een verzoek ex artikel 591a Sv, waarbij de onschuldpresumptie en billijkheid een belangrijke rol spelen. De rechtbank nam daarbij ook het arrest van de Hoge Raad en het EHRM in de zaak Ashendon en Jones in aanmerking.
Gezien alle omstandigheden achtte de rechtbank het billijk om de gevraagde vergoedingen toe te kennen. De rechtbank kende een vergoeding toe van € 3.743,67 voor de kosten van de raadsman, € 25,38 voor reiskosten en € 550,00 voor het opstellen en behandelen van het verzoekschrift. De beschikking werd op 4 juni 2019 uitgesproken door mr. P.L.C.M. Ficq, samen met mrs. L. Dolfing en Y. Moussaoui.
Uitkomst: De rechtbank kent verzoekster een vergoeding toe van in totaal € 4.319,05 voor kosten raadsman, reiskosten en verzoekschrift.