ECLI:NL:RBAMS:2019:7847

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
22 oktober 2019
Publicatiedatum
22 oktober 2019
Zaaknummer
13-751482-19 RK 19-3943
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 6 OLWArt. 7 OLWArt. 13 OLW
Verwijzingen
13 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering opgeëiste persoon aan Italië ondanks onschuldverweer en terugkeergarantie

De rechtbank Amsterdam behandelde op 8 oktober 2019 de vordering tot overlevering van een opgeëiste persoon aan Italië op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd op 21 mei 2019. Het EAB betreft verdenkingen van betrokkenheid bij internationale drugstransporten van cocaïne vanuit Nederland naar Sardinië en Rome.

De opgeëiste persoon voerde onschuldverweer aan en overhandigde bewijsstukken waaruit zou blijken dat hij op de genoemde data niet in Italië was. De rechtbank oordeelde echter dat fysieke aanwezigheid op de plaats van het delict niet vereist is voor betrokkenheid bij de drugstransporten en verwierp het onschuldverweer.

De verdediging verzocht tevens om gelijkstelling met een Nederlander en een terugkeergarantie, omdat de opgeëiste persoon langdurig in Nederland verblijft. De rechtbank stelde vast dat hoewel aan het duurzame verblijfsrecht en rechtsmachtvereiste is voldaan, het risico bestaat dat de opgeëiste persoon zijn verblijfsrecht in Nederland verliest bij veroordeling in Italië. Daarom kon geen terugkeergarantie worden gegeven en werd geen gelijkstelling toegekend.

De rechtbank concludeerde dat het EAB voldoet aan alle wettelijke eisen en dat geen weigeringsgronden aanwezig zijn. De overlevering aan Italië werd daarom toegestaan. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Italië toe ondanks het onschuldverweer en het ontbreken van een terugkeergarantie.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: : 13/751482-19
RK nummer: 19/3943
Datum uitspraak: 22 oktober 2019
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet Pro (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 27 juni 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 21 mei 2019 door
the preliminary investigations judge in the Court of Cagliari(Italië) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren te [geboorteplaats] , Italië, op [geboortedag] 1960,
ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres
[BRP-adres] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 8 oktober 2019. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Diependaal.
De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. M. Smid, advocaat te Hoogeveen en door een tolk in de Italiaanse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd en heeft vervolgens de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlengingen nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht.
De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Italiaanse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een arrestatiebevel, te weten een
‘precautionary custody in prison’, uitgevaardigd op 14 mei 2019.
Referentienummer: PROC. 8216/16 R.G.N.R. DDA7891/18 R.G. G.I.P.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan twee naar Italiaans recht strafbare feiten.
Deze feiten zijn als volgt omschreven in onderdeel e) van het EAB:
[medeverdachte 1] , [opgeëiste persoon] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 6] (…) without authorisation and unlawfully, in complicity with each other, from the Netherlands, [medeverdachte 1] , [opgeëiste persoon] , [medeverdachte 2] and [medeverdachte 6] (as [medeverdachte 1] is the supplier of drugs, [opgeëiste persoon] and [medeverdachte 2] are the one[s] who transported the “samples” in Sardinia in May 2017 and [medeverdachte 6] the one who provided the logistics support), sold to [medeverdachte 5] and [medeverdachte 3] nearly 10 kilos of cocaine, 7 of which were allocated to [medeverdachte 4] , and they transported them from the Netherlands to Sardinia, to be delivered in Serrenti (CA), throught (sic) the courier [medeverdachte 7] (arrested in Sardara and tried in a separate proceeding). Offence committed on 2.6.2017.
[medeverdachte 1] , [opgeëiste persoon] , [medeverdachte 8] (…) in complicity with each other they sent and transported, through the couriers [medeverdachte 9] and [medeverdachte 10] (tried in a separate proceeding as they were caught red handed), from the Netherlands to Fiano Romano (Rome) nearly 3,7 kilograms of cocaine.Offence committed on 9.1.2018.

4.Strafbaarheid, feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 5, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar Italiaans recht een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5.Onschuldverweer

De opgeëiste persoon heeft verklaard niet schuldig te zijn aan de feiten.
De raadsvrouw heeft daartoe namens de opgeëiste persoon aangevoerd dat hij weliswaar van
25 april 2017 tot 6 mei 2017 met zijn levenspartner in Italië en op Sardinië is geweest om zich te oriënteren op producten voor hun pizzeria in Groningen en producten daarvoor in te kopen, maar niet in Italië is geweest op de data die als feitsdata staan vermeld in het EAB. De opgeëiste persoon beweert dat hij in 2018 helemaal niet in Italië is geweest.
De opgeëiste persoon heeft boottickets overgelegd waaruit de reisdata in het voorjaar van 2017 blijken en aankoopbonnen van producten, bestemd voor de pizzeria. De woorden ‘wijn’, ‘worst’ en ‘kaas’ hebben betrekking op daadwerkelijk die producten en zijn geen codewoorden voor verdovende middelen, aldus de raadsvrouw namens de opgeëiste persoon. De raadsvrouw heeft verzocht de overlevering te weigeren.
De rechtbank is, met de officier van justitie, van oordeel dat de opgeëiste persoon er niet in is geslaagd zijn onschuld tijdens het verhoor ter zitting aan te tonen, zoals artikel 26, vierde lid OLW bepaalt. Het verweer gaat er aan voorbij dat de verdenking bestaat uit betrokkenheid bij het
medeplegen van, dan wel medeplichtigheid aaninternationale drugstransporten en dat de fysieke aanwezigheid van de opgeëiste persoon op plaats en tijd als genoemd in het EAB daarbij niet vereist is.
De onschuldbewering kan dan ook niet leiden tot weigering van de overlevering.

6.De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

De opgeëiste persoon heeft de Italiaanse nationaliteit.
De raadsvrouw heeft bepleit dat de opgeëiste persoon gelijk wordt gesteld aan een Nederlands onderdaan en heeft betoogd dat hij recht heeft op een terugkeergarantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid OLW. Zij heeft stukken overgelegd waaruit kan blijken dat de opgeëiste persoon al 25 jaar in Nederland verblijft, hier werkt, een grote binding met Nederland heeft, hier volledig is geïntegreerd en samenwoont met zijn Nederlandse partner. Hij heeft geen binding met Italië meer, aldus de raadsvrouw.
De rechtbank overweegt het volgende.
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet ingevolge artikel
6, vijfde lid, OLW zijn voldaan aan drie vereisten, te weten:
1. bezit van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd;
2. vervolgingsmogelijkheid in Nederland voor de feiten die aan het Europees aanhoudingsbevel ten grondslag liggen;
3. ten aanzien van de opgeëiste persoon moet de verwachting bestaan dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel.
Ad 1) Wat betreft de eerstgenoemde voorwaarde geldt dat volgens vaste jurisprudentie van deze rechtbank een duurzaam verblijfsrecht als Unieburger gelijk wordt gesteld met een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Een duurzaam verblijfsrecht hoeft niet te worden aangetoond door middel van overlegging van een verblijfsdocument, dit kan ook met het aantonen dat aan de materiële voorwaarden voor een dergelijk verblijfsrecht wordt voldaan.
Op basis van de door de raadsvrouw overgelegde stukken moet worden geconcludeerd dat de opgeëiste persoon over een duurzaam verblijfsrecht beschikt.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aangetoond dat de opgeëiste persoon gedurende vijf jaar onafgebroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven.
Ad 2) Aan de tweede voorwaarde – Nederlandse rechtsmacht – is voldaan. Onder verwijzing naar wat de rechtbank heeft overwogen ten aanzien van het duurzame verblijfsrecht van de opgeëiste persoon en gelet op de artikelen 7 en 86b van het Wetboek van Strafrecht, concludeert de rechtbank dat is voldaan aan het zogenoemde rechtsmachtvereiste.
Ad 3) Met betrekking tot de derde voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander is de inhoud van de brief van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) van 17 september 2019 van belang, waarin een voorlopig advies wordt gegeven over verblijfsbeëindiging.
De rechtbank stelt vast dat uit de brief kan worden opgemaakt dat ten aanzien van de opgeëiste persoon
nietde verwachting bestaat dat hij zijn recht van verblijf in Nederland niet zal verliezen ten gevolge van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel.
De opgeëiste persoon kan zijn verblijfsrecht in Nederland verliezen bij een veroordeling door een Italiaanse rechter voor de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, gelet op zijn strafblad en de zwaarte van de Italiaanse verdenking.
De rechtbank concludeert dat de opgeëiste persoon niet kan worden gelijkgesteld aan een Nederlander en er is geen aanleiding om voor hem een terugkeergarantie aan te vragen. Het verweer slaagt niet.

7.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW

Het EAB heeft betrekking op strafbare feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd.
In die situatie staat artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW de overlevering niet toe.
Met een beroep op artikel 13, tweede lid, OLW heeft de officier van justitie gevorderd dat wordt afgezien van deze weigeringsgrond. Uit het oogpunt van een goede rechtsbedeling behoort overlevering aan de Italiaanse autoriteiten plaats te vinden.
De volgende argumenten zijn aangevoerd:
  • de drugs werden ingevoerd in Italië;
  • hierdoor is de Italiaanse rechtsorde geschokt;
  • medeverdachten worden ook in Italië berecht;
  • Italië heeft door middel van het uitvaardigen van het EAB aangegeven te willen vervolgen.
Gelet op de door de officier van justitie aangevoerde argumenten heeft de officier van justitie naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid tot haar vordering kunnen komen. Daarom moet van bedoelde weigeringsgrond worden afgezien.

8.Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, moet de overlevering worden toegestaan.

9.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5, 7 en 13 Overleveringswet.

10.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan
the preliminary investigations judge in the Court of Cagliari(Italië)
Aldus gedaan door
mr. M. van Mourik, voorzitter,
mrs. J.A.A.G. de Vries en M.E.M. James-Pater, rechters,
in tegenwoordigheid van L.C. Werkman, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 22 oktober 2019.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.